Geschreven: 1927
Bron: Marxisme.net, april 2006
Vertaling: Peter den Haan
HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, mei 2006
1. Inleiding
2. De situatie van de arbeidersklasse en de vakbonden
3. De agrarische kwestie en socialistische opbouw
4. Staatsindustrie en socialistische opbouw
5. De sovjets
6. Het nationale vraagstuk
7. De partij
8. De Communistische Jeugd Liga
9. Onze internationale situatie en de oorlogsdreiging
10. Het Rode Leger en de Rode Vloot
11. Echte en verzonnen meningsverschillen
12. Tegen opportunisme, voor partijeenheid
In zijn toespraak op het laatste congres dat hij bijwoonde, zei Lenin: “We hebben hier nu een jaar geleefd, met de staatsmacht in onze handen. En heeft het onder de Nieuwe Economische Politiek op onze manier gewerkt? Neen! We vinden het niet leuk dit toe te moeten geven, maar zo is het. Hoe heeft het dan wel gewerkt? De machine gaat niet de kant op waarheen wij het sturen, maar waar sommige illegale, of wettenloze, of God mag weten waarvandaan ze zijn gekomen, speculanten of private kapitalistische handelaars, of gezamenlijk, het heen sturen. Een machine gaat niet altijd precies die kant op, en vaak gaat het juiste precies niet die kant op, die de man achter het stuur denkt dat het gaat”.
In deze woorden zijn de criteria gegeven waarmee we onze fundamentele problemen van onze politiek zouden moeten beoordelen. Welke richting gaat de machine op? De staat? De macht? Beweegt ze in de richting die wij, communisten, als uitdrukking van de belangen en wil van de arbeiders en de enorme aantallen boeren, wensen? Of juist niet in die richting? Of ‘niet helemaal’ in die richting?
In de jaren sinds de dood van Lenin, hebben we meermalen het feit onder de aandacht proberen te brengen van de centrale organen van onze partij en, daarna, aan de partij als geheel dat, dankzij het incorrecte leiderschap, het gevaar zoals Lenin dat schetste, aanzienlijk is toegenomen. De machine beweegt zich niet in de richting die de belangen van de arbeiders en de boeren vereisen. Aan de vooravond van het nieuwe congres vinden wij het onze plicht, ondanks alle vervolgingen waar we onder hebben moeten lijden, om dit feit met verdubbelde energie onder de aandacht van de partij te brengen. Want we zijn er zeker van dat deze situatie kan worden gecorrigeerd en wel door de partij zelf.
Toen Lenin stelde dat het apparaat vaak in de richting beweegt van aan ons vijandige krachten, vroeg hij onze aandacht voor twee uitermate belangrijke factoren. In de eerste plaats dat er in onze samenleving vijandige krachten ten opzichte van onze doelstellingen bestaan; de koelak, de NEP mannen, de bureaucraat die zich positie verwerft door onze onderontwikkeling en onze politieke fouten en vertrouwen op de steun van het internationale kapitalisme. Ten tweede het feit dat deze krachten dusdanig sterk zijn dat ze ons politieke en economische apparaat in de verkeerde richting kunnen duwen en uiteindelijk zelfs zullen proberen, in eerste instantie op een verhulde wijze, om het stuur in handen te krijgen.
De woorden van Lenin legden ons de volgende verplichtingen op:
1. Om nauwlettend de groei van deze vijandige krachten, de koelak, NEP man en bureaucraat in de gaten te houden;
2. Te herinneren dat in relatie tot de algemene opleving in het land, deze krachten zich zullen proberen te verenigen, hun eigen aanpassingen in onze plannen willen aanbrengen, een toenemende druk op ons beleid uitoefenen en hun belangen via ons apparaat vervullen.
3. Alle mogelijk maatregelen te treffen om de groei, de eenheid en druk van deze vijandige krachten te ondermijnen en zo te voorkomen dat zij een feitelijk, hoewel onzichtbaar, gedeeld machtssysteem kunnen scheppen, waarnaar ze verlangen;
4. Openlijk de hele waarheid te zeggen aan de ploeterende massa’s. In deze bestaat het fundamentele probleem dus uit een ‘thermidoriaans’ gevaar en de strijd daartegen.
Sinds Lenin zijn waarschuwing wereldkundig maakte, zijn vele kwesties verbeterd, maar ook vele zaken juist verslechterd. De invloed van het staatsapparaat neemt toe, maar daarmee ook de bureaucratische vervorming van de arbeidersstaat. De absolute en relatieve groei van het kapitalisme in het land en haar absolute groei in de steden beginnen een politiek zelfbewustzijn te creëren onder de burgerlijke elementen in ons land. Deze elementen proberen, en niet altijd zonder succes, dat deel van de communisten waar ze mee in aanraking komen, op het werk en in de sociale omgang, te demoraliseren. De slogan die Stalin op het 14e partijcongres introduceerde; ‘Schiet op Links!’ kon niet anders dan uitdraaien op een oproep tot vereniging van deze rechtse elementen in de partij met de burgerlijke Oestrialov elementen uit het land.
Het vraagstuk, ‘Wie zal van wie winnen?’ zal beslist worden in de voortdurende strijd tussen de klassen in alle sectoren van het economische, politieke en culturele front, een gevecht voor een socialistische of kapitalistische ontwikkelingsrichting, voor de verdeling van het nationale inkomen, overeenkomstig een van de twee richtingen, voor een solide politieke macht van het proletariaat of de verdeling van deze macht met de nieuwe bourgeoisie. In een land met een overweldigende meerderheid aan kleine, en keuterboeren en kleine bezitters in het algemeen, zullen de voornaamste processen van dit gevecht zich vaak op een gefragmenteerde en ondergrondse wijze afspelen, om dan plotseling, ‘onverwacht’ aan de oppervlakte uit te barsten.
Het kapitalistische element vindt haar primaire uitdrukking in de klassenscheiding op het platteland en in een toename van private handelaars in de stad. De toplagen op het platteland en de burgerlijke elementen in de stad zijn zich onderling meer en meer en nauwer aan het verbinden met de verschillende takken van ons staatseconomisch apparaat. En dit apparaat draagt er regelmatig toe bij, om de succesvolle pogingen van de nieuwe bourgeoisie om een groter deel van het nationale inkomen toe te eigenen, te verhullen in een mist van statische gegevens.
Het handelsapparaat, het staats,, coöperatieve en private, slokt een enorm aandeel van ons nationale inkomen op, meer dan ééntiende van het Bruto Nationaal Product. Bovendien heeft het private kapitaal, in haar hoedanigheid als commerciële tussenpersoon, in de afgelopen jaren in absolute cijfers, meer dan éénvijfde van alle handel door haar handen zien gaan, voor meer dan 5 miljard [roebel] per jaar. Tot op heden komen voor de gewone consument meer dan 50% van zijn benodigde producten uit de handen van private kapitalisten. Voor de private kapitalist is dit de fundamentele bron van winst en accumulatie. De ongelijkheid (de schaar) tussen landbouw en industriële prijzen, tussen de groothandel en de winkelprijzen, de schommelingen tussen de prijzen in de verschillende takken van de agricultuur, in de verschillende regionen en seizoenen en, als laatste, het verschil tussen de binnenlandse prijzen en die van de wereldmarkt, zijn een constante bron van persoonlijke verrijking.
Het private kapitaal verzamelt woekerachtige rentes op leningen en verdient geld op staatsleningen.
De rol van de private kapitalist in de industrie is ook aanzienlijk. Hoewel het relatief is afgenomen in de laatste periode, is het in absolute termen gegroeid. De geregistreerde private kapitalistische industrie toont een bruto productie van 400 miljoen per jaar. Kleine handwerklieden en huisnijverheid meer dan 1800 miljoen. Samen beslaat de productie van de niet staatsindustrie meer dan éénvijfde van de totale goederenproductie en ongeveer 40% van alle handelswaar op de totale markt. De overweldigende meerderheid van deze industrie is op een of andere manier verbonden met privaat kapitaal. De verschillende openlijke en verborgen vormen van uitbuiting van de massa van handwerklieden door de commerciële en thuisondernemingen zijn en buitengewoon belangrijke en, bovendien een groeiende bron van accumulatie voor de nieuwe bourgeoisie.
Belastingen, lonen, prijzen en krediet zijn de belangrijkste instrumenten tot verdeling van het nationale inkomen. Sommige klassen worden versterkt, andere verzwakt.
In zijn algemeenheid wordt de landbouwbelasting omgekeerd progressief opgelegd; zwaar voor de armen en wat lichter voor de economisch sterken en de koelakken. Volgens de prognoses ontvangt 34% van de arme landbezitters van de Sovjet Unie (waar dan provincies met een sterk ontwikkelde klassendifferentiatie niet worden meegerekend, zoals de Oekraïne, Siberië en de noordelijke Kaukasus) 18% van het netto inkomen. Precies hetzelfde inkomen, 18%, wordt door de rijkste kleine groep geïncasseerd, die maar 7,5% van de bezitters vertegenwoordigen. En toch betalen deze twee groepen ongeveer dezelfde hoeveelheid belasting, elk zo’n 20% van de totale som. Hieruit mag duidelijk zijn dat op elke individuele arme boerderij de belasting een veel zwaardere druk legt dan op de koelak, of de welvarende bezitter in het algemeen. In tegenstelling tot de angst van de leiders van het 14e Congres, kleedt ons belastingbeleid de koelak helemaal niet uit. Het beperkt hem niet in het minst om in zijn handen een steeds groter aandeel in geld en goederen te accumuleren.
De rol van de indirecte belastingen in ons budget groeit alarmerend ten koste van de directe. Alleen al daardoor verschuift de belastingdruk automatisch van de sterkere naar de zwakkere schouders. De belasting voor de arbeiders in 1925-26 was twee keer zo hoog als het voorgaande jaar, terwijl de belasting van de rest van de stedelijke bevolking terugliep met 6% (Viestnik Finansol, 1927. nr. 2, blz. 52). De belasting op drank drukt steeds ondragelijker met name op de industriële regionen. De inkomensgroei per hoofd van de bevolking voor 1926 ten opzichte van 1925 bedroeg volgens bepaalde schattingen voor de boeren 19%; voor de arbeiders, 26% en voor handelaars en industriëlen, 46%. Als we de ‘boeren’ in drie hoofdgroepen verdelen, kunnen we zonder twijfel vaststellen dat het inkomen van de koelak onvergelijkelijk meer toenam dan dat van de arbeiders. Het inkomen van de handelaren en industriëlen, berekend op basis van de belastinggegevens, wordt ongetwijfeld lager voorgesteld dan het in werkelijkheid is. Hoe dan ook tonen deze wat gekleurde cijfers onherroepelijk een toename van de klassenverschillen aan.
De ‘schaar’, die het verschil tussen de landbouw en industriële prijzen vertegenwoordigd, is de afgelopen anderhalf jaar verder uit elkaar gegroeid. De boer ontving voor zijn producten niet meer dan een en een kwart van de vooroorlogse prijzen, terwijl hij voor zijn industriële producten twee éénvijfde meer moest betalen dan voor de oorlog. Deze overbetalingen van de boeren en wederom, voornamelijk door de armere boeren, tot een bedrag van ongeveer een half miljard roebel in het afgelopen jaar, laat niet alleen het conflict tussen de agricultuur en de industrie toenemen, maar verscherpt ook de differentiatie in het land.
Ook in het verschil tussen de groothandel en winkelprijzen, trekt de staatsindustrie en met haar de consument, aan het kortste eind. Dit betekent dat er een derde partij is die eraan verdient. Het is de private kapitalist die er voordeel van heeft en daarmee het kapitalisme.
De reële lonen in 1927 staan in het gunstigste geval op hetzelfde niveau als de herfst van 1925. Toch staat onweerlegbaar vast dat de ingrepen van de afgelopen 2 jaar het land rijker hebben gemaakt, het totale nationale inkomen is gegroeid, de koelak laag heeft haar reserves met enorme snelheid zien toenemen en de accumulatie van de private kapitalist, de handelaar en de speculant is ook met sprongen gegroeid. Het is duidelijk dat het aandeel van de arbeiders in het totale inkomen van het land is gedaald, terwijl het aandeel van de andere klassen is gegroeid. Dit feit is van buitengewoon belang in de inschatting van onze huidige situatie.
Alleen diegene die er in het diepst van zijn hart van overtuigd is dat onze arbeidersklasse en onze partij niet in staat zijn om met de moeilijkheden en gevaren om te gaan, zal stellen dat een oprecht wijzen op deze tegenstellingen in onze ontwikkeling en de groei van deze vijandige krachten, puur paniek of pessimisme zijn. Met zo’n uitgangspunt kunnen wij ons niet verenigen. Het is noodzakelijk de reële gevaren onder ogen te zien. En we stellen ze juist zo accuraat mogelijk aan de orde, precies om op gepaste wijze met deze gevaren het gevecht aan te gaan en ze te overwinnen.
Een zekere groei van de vijandige krachten, de koelak, de NEP-mannen en de bureaucraten, is onvermijdelijk onder de Nieuwe Economische Politiek. Je kan deze krachten niet via een decreet of door simpele economische druk uitschakelen. Door de NEP te introduceren en te volvoeren hebben we zelf een plek gecreëerd in ons land voor kapitalistische verhoudingen. En voor een aanzienlijke periode in de toekomst zullen we dit ook als onvermijdelijk moeten aanvaarden. Lenin herinnerde ons niet voor niets aan de naakte waarheid waarvan de arbeiders op de hoogte diende te zijn, toen hij zei: “Terwijl wij een land van kleine boeren blijven, is er in Rusland een meer solide basis voor het kapitalisme dan voor het communisme. Dat moeten we niet vergeten... We hebben het kapitalisme niet tot aan de wortel vernietigd en we hebben ook de basis en grondvesten van onze binnenlandse vijand niet ondermijnd (Verzamelde Werken, deel 17, blz. 428)”.
Dit buitengewoon belangrijke sociale feit waar Lenin op wijst, kan niet simpelweg worden vernietigd, zoals al is gezegd, maar is wel te overkomen door een correct, gepland en systematisch beleid van de arbeidersklasse, steunend op de arme boeren en samenwerking met de ‘midden'boeren. Dit beleid bestaat in feite dus uit het in het algemeen versterken van alle maatschappelijke posities van het proletariaat, in de snelst mogelijke verheffing van de leidinggevende centra van het socialisme, in de meest nauwe samenwerking met de voorbereiding en ontwikkeling van de proletarische wereldrevolutie.
Bij een correct Leninistisch beleid hoort ook manoeuvreren. In zijn strijd tegen de krachten van het kapitalisme paste Lenin regelmatig een methode toe van gedeeltelijke concessies om de vijand beet te nemen, een tijdelijke terugtocht om daarna met meer succes vooruitgang te boeken. Manoeuvreren is ook nu noodzakelijk. Maar door te ontwijken en te manoeuvreren tegen een vijand die niet door een directe aanval omver was te werpen, wist Lenin toch onveranderlijk de lijn van de proletarische revolutie vast te houden. Onder zijn leiding wist de partij altijd de oorzaken van elke manoeuvre, haar bedoeling, beperkingen, de grens die het niet mocht overschrijden en vanuit welke positie het proletariaat zich weer vooruit kon bewegen. In die dagen, onder Lenin, werd een terugtocht, een terugtocht genoemd en een concessie, een concessie. Daardoor wist het manoeuvrerende proletarische leger altijd haar eenheid te bewaren, haar strijdlust en haar heldere bewustzijn over het doel.
In de recente periode is er een beslissend afscheid genomen van deze leninistische manier door een deel van de leiding. De groep rond Stalin leidt de partij geblinddoekt. De kracht van de vijand verhullend, van alles en overal een officiële manifestatie van succes makend, geeft deze groep het proletariaat geen enkel vooruitzicht, of, wat nog erger is, een vals vooruitzicht. Ze bewegen in zigzaggen, zichzelf aanpassend en geliefd makend bij vijandige elementen. Ze verzwakken en verwarren de krachten van het proletarische leger. Ze promoten de groei van passiviteit, wantrouwen in de leiding en gebrek aan vertrouwen in de revolutionaire krachten. Ze verhullen, onder verwijzing naar Lenin’s manoeuvreren, het zonder principes van de ene naar de andere kant overstappen; altijd als een verassing voor de partij, onbegrijpelijk voor haar en zo haar kracht verzwakkend. Het enige gevolg is dat de vijand, die zo kostbare tijd heeft gewonnen, weer een stap vooruit kan maken. De ‘klassieke’ voorbeelden van dit gemanoeuvreer door Stalin, Boekarin en Rykov zijn het beleid in China en hun beleid in het Anglo-Russische Comité op het internationale terrein en in het binnenland het beleid ten opzichte van de koelak. Over al deze vraagstukken kwamen de partij en de arbeidersklasse pas achter de waarheid, of een deel van de waarheid, nadat de zware gevolgen van deze door en door verrotte politiek over haar hoofd werd uitgestort.
Aan het eind van deze twee jaar waarin de Stalingroep feitelijk het beleid van de centrale instituten van onze partij bepaalde, mogen we ervan uitgaan dat het volkomen bewezen is dat deze groep machteloos is gebleken om te voorkomen dat:
1. bepaalde groepen in de samenleving die streven naar kapitalistisch herstel bovengemiddeld zijn gegroeid;
2. de positie van de arbeidersklasse en de arme boeren is verzwakt ten opzichte van die van de NEP-man, de koelak en de bureaucraat en;
3. de algemene positie van de arbeidersstaat in haar gevecht tegen het wereldkapitalisme is verzwakt, alsmede de internationale positie van de Sovjet Unie.
Het is de directe schuld van de Stalin groep dat, in plaats van dat de partij, de arbeidersklasse en de boeren de gehele waarheid over de situatie werd verteld, ze juist de feiten heeft trachtten te verbergen, de groei van vijandige krachten bagatelliseerde en de mond heeft gesnoerd van hen die de waarheid eisten en ook blootlegden.
Het concentreren van de Aanval tegen Links, op een moment dat de hele situatie wees op gevaar van rechts; de botte en gestroomlijnde onderdrukking van iedere kritiek die zeer legitiem de noodklok luidde over het lot van de proletarische revolutie, de openlijke samenzweringen tot een rechtse koers, het verminderen van de invloed van het proletariaat en de oudbolsjewistische kern van de partij, al deze factoren verzwakken en ontwapenen de arbeidersklasse op een moment dat boven alles vraagt om activiteit van het proletariaat, eenheid en waakzaamheid van de partij en vertrouwen in de echte leninistische erfenis.
De partleiders misbruiken Lenin, ze verbeteren hem, verklaren hem, doen toevoegingen, zoveel als nodig is om elke opeenvolgende fout van henzelf te verbergen. Sinds de dood van Lenin is er een hele reeks van nieuwe theorieën verzonnen, met maar één doel: dat deze een theoretische rechtvaardiging levert aan het afstand nemen door de groep rond Stalin van de loop van de internationale proletarische revolutie. De mensjewieken, de Smienavikoftsjies en uiteindelijk de kapitalistische media zien en verwelkomen het beleid en de nieuwe theorieën van Stalin, Boekarin, Martynov, als een beweging ‘voorwaarts, weg van Lenin’ (Oestrialov), ‘wijsheid van echte staatsmannen’, ‘realisme’, en ‘een verwerping van het Utopia van het revolutionaire bolsjewisme’. En in het afsnijden van een aantal van Lenin’s oude strijdmakkers van de partijleiding zien en verwelkomen ze een praktische stap in de richting van een fundamentele verandering van de koers van de partij.
Tegelijkertijd vormen de elementaire processen van de NEP, niet gehinderd of gestuurd door een ferme klassenpolitiek, nieuwe toekomstige dreigingen van hetzelfde karakter.
25 miljoen kleine boerderijen vormen de fundamentele bron van de kapitalistische tendensen in Rusland. De koelak laag, die geleidelijk uit deze massa naar boven komt, is nu het proces van primitieve accumulatie van kapitaal aan het realiseren, waarmee de socialistische stellingen zwaar worden ondermijnd. Het verdere verloop en uitkomst van dit proces wordt uiteindelijk bepaald door de verhouding tussen de groei van de staats en de private economie. De terugval van onze industrie versnelt het tempo van klasse differentiatie tussen de boeren aanzienlijk en daarmee de politieke gevaren die dat met zich meebrengt.
Lenin schreef:
In de geschiedenis van andere landen hebben de koelakken meer dan eens de macht terug veroverd voor de landheren, tsaren, priesters en kapitalisten. Zo is het geweest in alle voorgaande Europese revoluties waar, als gevolg van de zwakte van de arbeiders, de koelakken erin zijn geslaagd een republiek terug te draaien tot een koninkrijk, van de overheersing door de zwoegende massa’s naar de absolute macht van de uitbuiters, rijken en parasieten. Je kan de koelak makkelijk met de landheer verzoenen, met de tsaar, de priester, zelfs als ze ruzie hebben gehad, maar met de arbeidersklasse, nooit! (Kameraden arbeiders, laat ons samen het laatste en beslissende gevecht voeren; publicatie van het Lenin instituut)
Wie dit niet kan begrijpen, wie gelooft dat de ‘koelak het socialisme ingroeit’, is maar voor een ding geschikt; schipbreuk van de revolutie.
In ons land bestaan twee fundamenteel elkaar uitsluitende uitgangspunten. Aan de ene kant die van het proletariaat die het socialisme opbouwt en aan de andere, de positie van de bourgeoisie die ernaar verlangt om onze ontwikkeling in kapitalistische richting om te buigen.
Het kamp van de burgerij en die lagen van de kleinburgerij die daar achteraan lopen, hebben al hun hoop geplaatst op het private initiatief en het persoonlijke belang van de goederen producent. Ze hebben alles gezet op de ‘economische sterke’ boer en proberen om de coöperatieven, de industrie en onze buitenlandse handel aan deze ondergeschikt te maken. Dit kamp gelooft dat de socialistische industrie niet op het staatsbudget mag rekenen, dat deze ontwikkeling niet te hard mag gaan om zo het belang van accumulatie door de kapitalistische boer niet te schaden. De strijd voor een hogere arbeidsproductiviteit legt steeds meer druk op de zenuwen en spieren van de arbeiders door de zich dagelijks consoliderende kleinburgerij. Het gevecht om lagere prijzen betekent voor hem een verlaging van accumulatie van de socialistische industrie ten faveure van het handelskapitaal. De strijd met het bureaucratisme betekent voor hem de verwaarlozing van industrie, de verzwakking van de planningcentra. Het betekent het naar de achtergrond drukken van de zware industrie, oftewel wederom een aanpassing ten gunste van de economisch sterke boer, met het vooruitzicht van een toekomstig afschaffen van het monopolie op buitenlandse handel. Dat is de richting van de Oestrialovs. De naam van deze richting is kapitalisme op bestelling. In ons land is dat een sterke tendens en oefent een invloed uit op bepaalde kringen binnen de partij.
De proletarische richting werd door Lenin als volgt beschreven: We kunnen pas stellen dat het socialisme het kapitalisme definitief en onomkeerbaar heeft overwonnen als; de proletarische staatsmacht, na definitief het verzet van de uitbuiters te hebben onderdrukt en zichzelf te hebben verzekerd van de definitieve onderwerping van deze uitbuiters, alsmede haar eigen volledige stabiliteit en autoriteit; de gehele industrie reorganiseert op basis van grootschalige collectieve productie voorzien van de laatste technische snufjes (uitgaand van elektrificatie van de hele economie). Alleen dit zal de mogelijkheden scheppen om een dusdanig verreikende technische en sociale ondersteuning van de steden aan het onderontwikkelde platteland te geven, dat het de materiële basis zal scheppen voor een ongekende toename van productiviteit van de agriculturele en plattelands arbeid, waardoor de keuterboer wordt gedwongen, op basis van voorbeeld en in eigen belang, over te stappen op grootschalige, collectieve, gemechaniseerde landbouw (Resolutie van het Tweede Congres van de Komintern).
Het hele beleid van onze partij zou op basis van dit principe gebouwd moeten zijn; de begroting, de belastingen, de industrie, landbouw en veeteelt, de binnen en buitenlandse handel, alles. Dat is de fundamentele positie van de oppositie. Dat is de weg naar het socialisme.
De stalinisten volgen een zigzaglijn tussen deze beide posities die iedere dag verder naar rechts opschuift, bestaande uit kleine wendingen naar links en daarna weer scherpe, diepe wendingen naar rechts. De leninistische koers is een socialistische ontwikkeling van de productiekrachten. De Oestrialov koers is een ontwikkeling van de productiekrachten op een kapitalistische basis, door geleidelijk de verworvenheden van oktober af te kalven. De stalinistische koers leidt, in de objectieve werkelijkheid, tot een vertraging van de ontwikkeling van de productiekrachten, tot een verlaging van het relatieve gewicht van het socialistische element en bereidt dus de uiteindelijke overwinning van de Oetrialov koers voor. De koers van Stalin is des te gevaarlijker en ruïneus omdat ze de werkelijke afwijkingen verbergt onder een masker van bekende woorden en frasen. De vervolmaking van ons herstelproces heeft alle fundamentele kwesties rond onze economische ontwikkeling weer voor het voetlicht gebracht en daardoor de positie van Stalin ondermijnd, welke volledig tekort schiet om grote problemen mee op te lossen; of het nu gaat om de revolutie in China of de wederopbouw van het basiskapitaal in de Sovjet Unie.
Ondanks de gespannen situatie, extreem opgedreven door de botte fouten van de huidige leiding, kan deze situatie worden rechtgezet. Maar dan is het noodzakelijk om de lijn van de partijleiding te veranderen, en wel drastisch te veranderen, in de richting zoals die door Lenin is aangegeven.
Door de oktoberrevolutie veranderde voor het eerst in de geschiedenis het proletariaat in de heersende klasse van een reusachtige staat. Onze nationalisatie van de productiemiddelen was een beslissende stap in de richting van een socialistische wederopbouw van het gehele sociale systeem dat was gebaseerd op de uitbuiting van de ene mens door de andere. Onze introductie van de achturige werkdag was een eerste stap in de richting van een complete en alzijdige verandering in de materiële en culturele levensomstandigheden van de arbeidersklasse. Ondanks de armoede in ons land hebben onze arbeidswetten wettelijke garanties voor de arbeiders geschapen, zelfs voor de meest achtergestelde, die in het verleden zich niet als groep konden verdedigen, die zelfs onder de rijkste kapitalistische staat niet werden verleend en nooit verleend zullen worden. De vakbonden, in status gerezen tot het belangrijkste sociale wapen in handen van de heersende klasse, kregen de mogelijkheid om aan de ene kant de massa’s te organiseren onder omstandigheden die anders nooit mogelijk zouden zijn geweest en, aan de andere kant, om direct de hele politieke koers van de arbeidersstaat te beïnvloeden.
Het probleem van de partij is om de verdere ontwikkeling van deze buitengewoon historische overwinningen te garanderen; oftewel ze een oprecht socialistische inhoud te geven. Onze successen op deze weg zullen worden bepaald door de objectieve omstandigheden in binnen en buitenland, de juistheid van ons beleid en de praktische vaardigheden van onze leiding.
De beslissende factor om een inschatting te maken of ons land zich voorwaarts naar een socialistische wederopbouw beweegt moet de groei van onze productiekrachten zijn en de overheersing van de socialistische elementen over de kapitalistische; inclusief een verbetering van alle levensomstandigheden voor de arbeidersklasse. Deze verbeteringen zouden zichtbaar moeten zijn op materieel gebied (aantallen arbeiders tewerkgesteld in de industrie, niveau van de reële lonen, besteedbaar arbeidersinkomen, huisvesting, medische zorg, etc.), politiek gebied (partij, vakbonden, sovjets, communistische jongerenorganisaties) en, als laatste, op cultureel gebied (scholen, boeken, kranten, theaters). Het streven om de vitale belangen van de arbeiders naar de achtergrond te plaatsen en deze, onder de verachtelijke slogan van ‘de beperkte blik van de werkplaats’, tegenover het algemene belang van de arbeidersklasse te plaatsen, is een theoretische fout en politiek gevaarlijk.
Het vergaren van meerwaarde door de arbeidersstaat is natuurlijk geen uitbuiting. Maar, in de eerste plaats hebben wij een arbeidersstaat met bureaucratische vervormingen. Dit opgezwollen en bevoorrechte apparaat slokt een aanzienlijk deel van onze meerwaarde op. In de tweede plaats eigent de groeiende bourgeoisie, via handel en speculatie op de abnormale ongelijkheid van prijzen, zich ook een deel van de door onze staatsindustrie gecreëerde meerwaarde toe.
In zijn algemeenheid is gedurende de afgelopen herstelperiode het aantal arbeiders, net als haar levensomstandigheden, gestegen. Niet alleen absoluut, maar ook relatief; oftewel in relatie tot de groei van andere klassen. Maar in de recente periode is daarin een radicale verandering gekomen. De numerieke groei van de arbeidersklasse, net als de verbetering van haar situatie, zijn bijna tot stilstand gekomen, terwijl de groei van haar vijanden voortduurt en zelfs in versneld tempo. Dit leidt onvermijdelijk niet alleen tot een verslechtering van de omstandigheden van arbeiders op fabrieksniveau, maar ook tot een daling van het relatieve gewicht van het proletariaat in de Sovjet samenleving.
De mensjewiki, vertegenwoordigers van de bourgeoisie onder de arbeiders, verwijzen met kwaadaardig genoegen naar de slechte materiële omstandigheden voor onze arbeiders. Ze proberen het proletariaat tegen de Sovjet staat op te zetten en arbeiders over te halen de burgerlijk mensjewistische slogan ‘Terug naar het kapitalisme’ over te nemen. De zelfgenoegzame functionaris die ‘mensjewisme’ meent te zien in de vasthoudendheid van de oppositie om de materiële omstandigheden van de arbeidersklasse te verbeteren, bewijst in feite het mensjewisme een grote dienst. Door de arbeiders zich onder de gele vlag te laten scharen.
Om problemen te kunnen overwinnen, moet je ze eerst kennen. Het is noodzakelijk om correct en oprecht onze successen en falen te testen via de feitelijke omstandigheden van de zwoegende massa’s.
Onze periode van herstel zorgde voor een voldoende snelle stijging van de lonen tot aan de herfst van 1925. Maar de aanzienlijke daling van de reële lonen die in 1926 begon, werd pas begin 1927 weer opgevangen. Het maandsalaris in de eerste twee kwartalen van het fiscale jaar 1926-1927 bedroeg gemiddeld in de grootindustrie (in Moskouse roebels) tussen de 30 roebel, 33 kopeke en 30 roebel, 67 kopeke; ten opzichte van 29 roebel, 68 kopeke in de herfst van 1925. In het derde kwartaal, volgens voorlopige berekeningen, zullen de lonen 31 roebel, 61 kopeke bedragen. Dus hebben de reële lonen in dit jaar in feite stil gestaan, ongeveer op het niveau van de herfst 1925.
Uiteraard liggen het niveau van de lonen en de algemene materiële omstandigheden van bepaalde groepen arbeiders en in bepaalde regionen, met name in Moskou en Leningrad, ongetwijfeld hoger dan dit gemiddelde niveau. Maar aan de andere kant bevindt het materiële niveau van brede lagen van de arbeidersklasse zich aanzienlijk onder deze gemiddelde cijfers. Bovendien wijzen alle data erop dat de groei van de lonen achter blijft op de groei van de arbeidsproductiviteit. De intensiteit van de arbeid neemt toe; de slechte arbeidsomstandigheden blijven hetzelfde.
Het stijgen van de lonen wordt meer en meer afhankelijk gemaakt van een verhoogde intensiteit van de arbeid. Deze nieuwe tendens, tegen een socialistische ontwikkelingskoers in, werd versterkt door het Centraal Comité in haar befaamde resolutie over Rationalisatie (Pravda, 25 maart 1927). Op het Vierde Congres van de Sovjets werd dezelfde resolutie aangenomen. Dit beleid zou betekenen dat de stijging van de sociale rijkdom op zichzelf niet zal leiden tot een stijging van de lonen.
De geringe numerieke toename van arbeiders betekent een verlaging van het aantal werkenden in elke familie. In harde roebels is het besteedbare inkomen van de arbeidersfamilies afgenomen sinds 1924-1925. De kostenstijging van de woonlasten hebben arbeiders gedwongen gedeeltes van hun woonruimte te verhuren. De werklozen, geheel of gedeeltelijk, belasten het budget van de arbeider. De snel groeiende consumptie van alcoholische dranken drukken ook op zijn budget. Alles bij elkaar opgeteld zien we dus een overduidelijke daling van zijn levensstandaard. De rationalisatie van de productie die nu wordt doorgevoerd, zal onvermijdelijk de omstandigheden voor de arbeidersklasse nog verder verslechteren, tenzij deze vergezeld gaat van een uitbreiding van industrie en transport om de uitgestoten arbeiders weer in op te vangen. In de praktijk komt ‘rationalisatie’ er vaak op neer; sommige arbeiders eruit te smijten en een verlaging van de materiële omstandigheden voor anderen.
Als de arbeidsomstandigheden verslechteren, is het altijd de zwakste groep die daar de meeste schade van ondervind; de ongeschoolden, seizoenwerkers, vrouwen en jongeren.
In 1926 was er een duidelijke verlaging van de vrouwensalarissen ten opzichte van die van de mannen, in bijna alle bedrijfstakken. Onder de ongeschoolde werknemers bedroeg het salaris van de vrouw in maart 1926 in drie verschillende sectoren respectievelijk 51,8%; 61,7% en 83% ten opzichte van de mannelijke collega’s. In bedrijfstakken als de turfstekerijen, het laden en lossen, enz. zijn de noodzakelijke maatregelen om de omstandigheden waaronder de vrouwen moeten werken te verbeteren, niet genomen. De gemiddelde beloning van tieners is, in vergelijking met de andere arbeiders, gestaag afgenomen. In 1923 was het 47,1%; in 1924 45%; in 1925, 43,4%; in 1926, 40,5% en in 1927 nog maar 39,5%.
Volgens het Onderzoek naar de Economische Situatie van de Jeugd in 1924 tot en met 1926 kreeg in maart 1925 bijna de helft (49,5%) van alle adolescenten minder dan 20 roebel. De afschaffing van de tewerkstellingsnorm van jongeren gerelateerd aan een bepaalde hoeveelheid oudere werknemers is een zware slag geweest voor arbeidersjongeren en families. Het aantal jongere werklozen is aanzienlijk aan het stijgen.
Van alle drie en een half miljoen loonarbeiders in het land, zijn er 1,6 miljoen werkzaam op het platteland, zowel mannen als vrouwen. Hiervan is maar 20% georganiseerd in de vakbonden. De registratie van de arbeidscontracten, die in veel gevallen zo slecht zijn dat het meer op slavenarbeid lijkt, is pas net begonnen. De lonen van de plattelandsarbeiders liggen gewoonlijk dan ook onder het wettelijk minimum; en dit zelfs vaak ook nog op de Sovjetboerderijen. De reële lonen zijn gemiddeld maar 63% van het vooroorlogse niveau. De arbeidsdag is zelden korter dan 10 uur. In de meerderheid van de gevallen is deze zelfs onbeperkt. De lonen worden onregelmatig uitbetaald en pas betaald na ontoelaatbaar uitstel. Deze miserabele situatie voor de ingehuurde arbeidskracht is niet alleen het gevolg van de moeilijkheden van socialistische opbouw in een onderontwikkeld boerenland. Het is ook en ongetwijfeld, het gevolg van een foutief beleid, dat in de praktijk - in de realiteit van het dagelijkse bestaan - voornamelijk aandacht geeft aan de bovenste lagen in het dorp en niet aan de onderste lagen. We hebben een algehele en systematische verdediging van de loonarbeider nodig, niet alleen tegen de koelak, maar ook tegen de zogeheten economisch sterke middenboer.
De normale woonruimte voor arbeiders is in de regel aanzienlijk kleiner als de gemiddelde ruimte voor de gehele stedelijke bevolking. De arbeiders in de grote industriële steden zijn in dit opzicht de minst bevoordeelde groep van de bevolking. De verdeling van woonruimte voor sociale groepen was in een reeks van onderzochte steden volgens het Centrale Bureau van Arbeid Statistiek als volgt:
Per industriële arbeider, 5,6 vierkante meter; klerken, 6,9 m2; handarbeiders, 7,6 m2; hooggeschoolden, 10,9 m2 en voor niet werkende elementen, 7,1 m2. De arbeiders bezetten de laatste plaats. Bovendien wordt de woonruimte voor arbeiders per jaar kleiner en die van de non-proletarische elementen ieder jaar groter. De algemene situatie op het gebied van de sociale woningbouw bedreigt de verdere ontwikkeling van de industrie. Ondanks dit feit geeft het vooruitzicht van het vijfjarenplan van de Staatsplanningscommissie aan dat de woningsituatie aan het eind van het plan er nog slechter aan toe zal zijn, dan nu het geval is. Volgens rapporten van de commissie zelf. Van 5,7 vierkante meter gemiddeld aan het eind van 1926, zal de algemene norm in 1931 zijn gedaald tot 5,3 m2, volgens het vijfjarenplan.
De trage groei van de industrialisatie heeft nergens een zo dodelijk karakter als onder de werklozen, die de fundamentele rijen van het industriële proletariaat heeft aangetast. Het officiële aantal geregistreerde werklozen stond in april 1927 op 1,478 miljoen. Het feitelijke aantal werklozen is zo’n 2 miljoen. Het aantal werklozen neemt onvergelijkelijk sneller toe dan het totaal aantal werkzame arbeiders. Het aantal industriële arbeiders wat werkloos wordt groeit schrikbarend. Volgens het Vijfjarenplan van de Staatsplanningscommissie zullen onze industrieën gedurende het gehele vijfjarenplan weinig meer dan 400.000 reguliere arbeidskrachten opnemen. Dit betekent op basis van een constante instroom van arbeiders uit het platteland dat het aantal werklozen eind 1931 zal zijn gegroeid tot niet minder dan 3 miljoen mannen en vrouwen. Het gevolg van deze stand van zaken zal een toename zijn van dakloze kinderen, bedelaars en prostitutie. Het armzalige beetje bijstand dat wordt verstrekt aan de werklozen veroorzaakt terecht afschuw. De gemiddelde toelage is 11,9 roebel, oftewel 5 vooroorlogse roebels. De vakbondstoelage alleen bedraagt al 6,5 tot 7 roebel. Maar deze toelage wordt maar aan zo’n 20% van werkloze vakbondsleden verstrekt.
Het Wetboek van Arbeid heeft al zoveel interpretaties ondergaan, dat deze het aantal artikelen in het wetboek vele malen overstijgt. En in feite worden hierdoor veel van haar maatregelen juist ontkracht. Met name de wettelijke mogelijkheden tot bescherming van tijdelijke en seizoenarbeiders zijn afgebroken.
De recente campagne rond Collectieve Arbeidsovereenkomsten werd gekenmerkt door een bijna algemene verslechtering van de wettelijke garanties en een neerwaartse druk op de kwaliteit en de loonschalen. Door de bedrijfsleiding het recht op verplichte arbitrage te geven is de collectieve overeenkomst sowieso al bijna geheel ontkracht en heeft het van een overeenkomst tussen twee partijen veranderd in een papieren tijger.
De bijdrage van de industrie ter compensatie van arbeiders is totaal ontoereikend. Volgens gegevens van de Volkscommissaris van Arbeid over 1925-1926 vonden er in de grote bedrijven per elke duizend arbeiders 97,6 ongelukken plaats die tot invaliditeit leidden. Elk jaar raakt 1 op de 10 arbeiders gewond.
De afgelopen jaren worden gekenmerkt in een toename van arbeidsgeschillen, waarvan de meeste met dwangmaatregelen worden opgelost in plaats van in overleg.
De leiding in de fabrieken takelt af. De bestuursorganen streven meer en meer naar ongelimiteerde autoriteit. Het inhuren en ontslaan is feitelijk in handen van alleen de bedrijfsleiding. Er worden weer vaak prerevolutionaire verhoudingen tussen voormannen en werklui aangetroffen.
De productieconferenties worden geleidelijk tot nul gereduceerd. De meerderheid van de praktische voorstellen van de arbeiders wordt niet doorgevoerd. Onder veel arbeiders begint er ook weerstand tegen deze conferenties te ontstaan, omdat verbeteringen die wel worden doorgevoerd vaak leiden tot de afvloeiing van aantallen arbeiders. Met als gevolg dat de productieconferenties ook maar matig worden bezocht.
Op cultureel gebied is het noodzakelijk om het probleem rond de scholen te benadrukken. Het wordt voor de arbeiders steeds moeilijker om hun kinderen een fatsoenlijke basisopleiding te geven, laat staan een goede vervolgopleiding. In bijna alle arbeidersklasse districten is er een toenemend tekort aan scholen. De studiekosten die ouders moeten betalen voor de voorzieningen op school helpen de vrijheid van onderwijs nagenoeg om zeep. Het tekort aan scholen en ontoereikende kinderopvang dwingt een aanzienlijk aantal arbeiderskinderen de straat op.
Dat ‘Belangenconflict over het vraagstuk van de Arbeidsomstandigheden in de Fabriek’, waar in een resolutie op het Elfde Congres van de partij melding van werd gemaakt, is de laatste jaren aanzienlijk in omvang toegenomen. Desondanks heeft het totale beleid van de partij in relatie tot de vakbeweging en de handelswijze van de vakbondsleiding een dusdanig effect op de vakbonden gehad dat op het Veertiende Congres moest worden toegegeven; “De vakbonden konden vaak het werk niet aan, vertoonden eenzijdigheid en lieten soms hun primaire en belangrijkste taken naar de achtergrond verdwijnen - het economisch belang van de massa’s die ze organiseert, te verdedigen en op elke manier mogelijk het materiële en geestelijke niveau van haar leden te doen stijgen”.
De situatie na het 14e Congres is echter niet verbeterd, maar verslechterd. De bureaucratisering van het vakbondsapparaat is alleen maar verergerd.
In de staven van de verkiesbare uitvoerende organen van de tien industriële vakbonden is het percentage werkende en niet bij de partij aangesloten militante arbeiders bijzonder laag (12 tot 13%). De overgrote meerderheid van afgevaardigden naar de vakbondsconferenties zijn mensen die niets meer met de industrie te maken hebben. Nog nooit tevoren hebben de vakbonden en de arbeidersmassa’s zo ver afgestaan van het management van de socialistische industrie als heden ten dage. De zelfactiviteit van de massa’s in de vakbonden wordt vervangen door overeenkomsten tussen de secretaris van de partijgroep, de fabrieksdirecteur en de voorzitter van het fabriekscomité, de zgn. driehoek. De houding van de arbeiders ten opzichte van de fabrieks, en werkplaatscomités is er een van wantrouwen. En de bezoekersaantallen van de algemene bijeenkomsten zijn dan ook laag.
De ontevredenheid van de arbeiders, die zich niet via de vakbonden kan uitten, wordt binnenwaarts gericht. ‘We moeten niet te actief zijn’, ‘Als je een stuk brood wil, moet je niet teveel je mond opentrekken’ (Pravda, 23 juli 1927). Zulke uitspraken kom je overal tegen. In deze omstandigheden zijn pogingen van delen van arbeiders om hun omstandigheden te verbeteren, buiten de vakbonden om, onvermijdelijk aan het toenemen. Dit alleen al vereist een radicale verandering in het huidige beleid rond de vakbonden.
1) Een genadeloos stopzetten van elke neiging de achturige werkdag te verlengen. Overwerk mag alleen worden toegestaan als het absoluut onvermijdelijk is. Er mag geen misbruik plaatsvinden in de tewerkstelling van seizoenarbeiders en voltijdwerkers mogen niet als tijdelijke arbeidskrachten worden behandeld. Het terugdraaien van elke verlenging van de werkdag in de ongezonde beroepen, waar het, tegen eerdere afspraken in, toch is ingevoerd.
2) De belangrijkste directe opdracht; het laten stijgen van de lonen in overeenstemming met de toename van de arbeidsproductiviteit. De toekomstige koers zou een systematische stijging van de reële lonen moeten zijn die correspondeert met elke stijging van de arbeidsproductiviteit. Het is noodzakelijk om een toenemende gelijkmatigheid voor de salarissen van verschillende groepen arbeiders te scheppen, door middel van een systematische stijging van de lagerbetaalde groepen, maar in geen geval door verlaging van de lonen van de beterbetaalden.
3) We moeten het bureaucratische misbruik van rationalisatiemaatregelen doen stoppen. Rationalisatie zou nauw verbonden moeten zijn met een samenhangende groei van de industrie, met een planmatige spreiding van arbeidskrachten en met een gevecht tegen verspilling van productiekracht van de arbeidersklasse - met name losbandigheid door het kader van de geschoolde arbeiders.
4) Om de nadelige effecten van werkloosheid te verzachten moeten;
a) de werkloosheidsuitkeringen in overeenstemming worden gebracht met het gemiddelde loon van de desbetreffende omgeving;
b) met het oog op de duur van de werkloosheid, de uitkeringsduur worden verlengd van een half jaar tot anderhalf jaar;
c) een verdere verlaging van de bijdrage vanuit de industrie aan de sociale fondsen ontoelaatbaar worden verklaard en er zal een gevecht moeten worden georganiseerd tegen de feitelijke wanbetalingen;
d) het spenderen van verzekeringsgelden aan maatregelen ten behoeve van de volksgezondheid en hygiëne gestopt worden;
e) we het voornemen om ‘verzekeringsmarkten’ te creëren, energiek bestrijden;
f) alle maatregelen worden teruggedraaid die, onder verschillende voorwendselen, echt werkloze arbeiders het recht ontzeggen op een uitkering en op inschrijving bij het arbeidsbureau;
g) we koersen in de richting in een stijging van de werkloosheidsuitkeringen, te beginnen met de industriële arbeiders. We hebben breed gedragen en zorgvuldig uitgewerkte plannen nodig voor publieke werken op de lange termijn, waar werklozen voor kunnen worden gebruikt, met het grootste voordeel voor de economische en culturele groei van het land.
5) Een systematische verbetering van de huisvesting voor arbeiders. Een ferme uitvoering van een klassenpolitiek ten aanzien van alle huisvestingsvraagstukken. Geen verbetering voor de woonomstandigheden van niet-proletarische elementen ten koste van arbeiders. Geen uitzettingen van werkende en ontslagen arbeiders op de korte termijn.
Er moeten energieke maatregelen worden getroffen voor een gezondere ontwikkeling van de wooncoöperatieven. Ze moeten toegankelijk worden voor laagbetaalde arbeiders. De toplaag van de witte boorden arbeiders moet niet worden toegestaan appartementen in te pikken die voor industrie arbeiders zijn bedoeld.
Het huisvestingsplan van de Staatsplanningscommissie moet worden afgewezen, omdat het rechtstreeks indruist tegen een socialistisch beleid. Zakelijke ondernemingen moeten verplicht worden hun huisvestingskosten en daartoe bestemde reserveringen en kredieten te doen laten stijgen, zodat er in de komende vijf jaar een werkelijke verbetering in de arbeiderswoningen zal ontstaan.
6) Collectieve afspraken dienen te worden gemaakt na echte en niet na fictieve discussies op arbeidersbijeenkomsten. Het aanstaande partijcongres zal de besluiten van het 14e congres ontkrachten, waardoor de fabrieksleidingen het recht op verplichte arbitrage krijgen. De Arbeidsrichtlijn moet als minimum en niet als maximumprogramma worden beschouwd ten aanzien van de rechten van arbeiders. Collectieve overeenkomsten moeten garanties bevatten tegen de uitstoot van arbeiders en administratief personeel, gedurende de looptijd van de overeenkomst (specifieke uitzonderingen daargelaten). Productienormen moeten op basis van het gemiddelde worden berekend, niet op basis van de uitzonderingen en gelden voor de gehele looptijd van het looncontract. In alle gevallen moeten collectieve overeenkomsten die een verlaging van de omstandigheden voor arbeiders betekenen, in vergelijking met voorgaande, ontoelaatbaar worden verklaard.
7) Het Bureau van Lonen en Normen moet onder effectievere controle van de arbeiders en de vakbonden worden gebracht, en de constante verandering van lonen en arbeidsnormen dient te worden stopgezet.
8) Onteigeningen vanwege veiligheidsaspecten en betere omstandigheden in de fabrieken moeten worden opgevoerd. Er moeten zwaardere straffen komen op het niet nakomen van de voorschriften ter bescherming van de arbeid.
9) Alle interpretaties van de Arbeidsrichtlijn moeten opnieuw geëvalueerd worden en diegene die tot een verlaging van de arbeidsomstandigheden hebben geleid, moeten worden geschrapt.
10) Vrouwen dienen voor gelijk werk gelijk loon te krijgen. Ook moeten er meer geschoolde vrouwelijke arbeiders komen.
11) Onbetaalde stages worden verboden. Net als de pogingen om de jeugdlonen te verlagen. Er dienen maatregelen te komen om de arbeidsomstandigheden van hun werk te verbeteren.
12) Het economische regime moet in geen geval uitgevoerd worden ten koste van de levensstandaard van de arbeider. We zullen de ‘goedmakertjes’ die van de arbeiders zijn weggenomen moeten herinvoeren (kinderdagverblijven, tramkaartjes, langere vakanties, etc.).
13) De vakbonden moeten meer aandacht schenken aan de problemen van seizoenarbeiders.
14) De medische zorg voor de fabrieksarbeider moet verbeterd worden (verbandmiddelen, eerste hulp afdelingen, ziekenhuizen, etc.).
15) In de arbeidersklasse districten moet het aantal scholen voor arbeiderskinderen worden verhoogd.
16) De staat dient maatregelen te nemen om de arbeiderscollectieven te versterken.
1) Het werk van de vakbonden dient primair te worden beoordeeld op de mate waarin zij de economische en culturele belangen van de arbeiders verdedigd, binnen de bestaande economische beperkingen.
2) De partij organisaties dienen, bij besluiten over maatregelen die de economische en culturele belangen van arbeiders raken, rekening te houden met de bevindingen van de communistische fracties binnen de vakbonden.
3) Echte verkiezingen, openbaarheid, rekenschap afleggend en verantwoordelijkheid naar de leden van alle niveaus dient de basis van het vakbondswerk te zijn.
4) Alle bestuursorganen in de industrie zouden in echte en niet in fictieve overeenkomst met de vergelijkbare vakbondsorganen dienen te zijn.
5) Op alle vakbondscongressen (inclusief het gezamenlijke vakbondencongres) en in alle verkiesbare organen van de bonden ( inclusief die van de vakcentrale) moet er een meerderheid van arbeiders, nog direct betrokken bij het werk, zijn. Het aandeel arbeiders dat geen lid van de partij is moet tot minstens eenderde toe te nemen.
Op gezette tijden moet een deel van de bestuurders van het vakbondsapparaat terug naar de werkvloer en industriële arbeid.
Er dient meer gebruik gemaakt te worden van vrijwilligerswerk in vakbondsactiviteiten, een bredere toepassing van vrijwilligerswerk in het algemeen en de aanmoediging aan fabrieksarbeiders om eraan deel te nemen.
6) Het verwijderen van verkozen communistische leden uit vakbondsorganen vanwege meningsverschillen binnen de partij zal niet worden toegestaan.
7) De absolute onafhankelijkheid van bedrijfsafdelingen en plaatselijke vakbondsafdelingen van de bestuursorganen dient te worden gewaarborgd. Het tewerkstellen en ontslaan van arbeiders en het verplaatsen van arbeiders van de ene naar de andere werkplek, voor periodes langer dan twee weken, mag alleen plaatsvinden met toestemming van het fabriekscomité. In de strijd tegen overtredingen op dit gebied zal het fabriekcomité gebruik maken van haar beroepsmogelijkheid tegen deze managementbeslissingen, via de overeenkomstige vakbond en geschillencommissies.
8) Verslaggevers van de arbeiderskranten dienen wettelijke garanties en vaststaande rechten te krijgen. En diegenen die trachtten de correspondenten te vervolgen vanwege hun onthullingen, dienen strikt gestraft te worden.
Er dient een artikel in het wetboek van Strafrecht te worden opgenomen, waarin wordt gesteld dat het een ernstige misdaad tegen de staat is, op een openlijke of verborgen manier, openlijk of heimelijk een arbeider te vervolgen vanwege kritiek, het doen van onafhankelijke voorstellen of stemgedrag.
9) De taken van de controlecommissies van de productieraden moeten worden uitgebreid tot supervisie over de uitvoering van haar besluiten en onderzoek naar het succes van haar maatregelen om belangen van arbeiders te beschermen.
10) Ten aanzien van de kwestie van stakingen in de staatsindustrieën, blijven de besluiten van het Elfde Partijcongres, voorgesteld door Lenin, onverminderd van kracht.
Ten aanzien van stakingen in de concessie industrieën, geldt hetzelfde als voor private industrieën.
11) Een herbeoordeling van het hele systeem van de Arbeidsstatistiek, die in zijn huidige vorm een vals en duidelijk gekleurd beeld geven van de economische en culturele omstandigheden van de arbeidersklasse en als zodanig ook een grote beperking is in al het werk deze belangen te verdedigen, is dringend noodzakelijk.
De moeilijke situatie van de arbeidersklasse op de Tiende verjaardag van de Oktoberrevolutie wordt in laatste instantie natuurlijk bepaald door de armoede in het land, de gevolgen van de interventie en het economische embargo en de onophoudelijke strijd van de kapitalistische omgeving tegen de eerste proletarische staat. Deze situatie kan niet met een pennenstreek worden rechtgezet. Maar het kan en moet veranderd worden met een correct beleid. De taak van bolsjewieken is niet om op te scheppen en zelfvoldane beelden van hun resultaten te creëren - die weliswaar zeer reëel zijn - maar om standvastig en duidelijk aan te geven wat er nog dient te gebeuren, er gedaan moet worden en er gedaan kan worden met een juist beleid.
Kleinschalige productie is de verwekker van kapitalisme en de bourgeoisie, constant, dagelijks, uurlijks, elementair en op grote schaal.
Ofwel de proletarische staat zal erin slagen, vertrouwend op een hoge ontwikkeling en de elektrificatie van de industrie, de technische onderontwikkeling van miljoenen van kleine en keuterboeren te overkomen, door ze in grotere eenheden en collectieven te organiseren, of het kapitalisme zal, door haar krachten op het platteland te rekruteren, de fundamenten van het socialisme in de steden ondermijnen.
Vanuit Leninistisch oogpunt zijn de boerenmassa’s, dat zijn de gewone keuterboeren die geen arbeidskrachten in dienst hebben, de belangrijkste bondgenoot waar de juiste relaties mee moeten worden onderhouden om de proletarische dictatuur veilig te stellen, net als het lot van de socialistische revolutie. Over de fase waar we nu in leven wist Lenin zeer accuraat ons te vertellen welke taken we ten aanzien van de boeren hadden: “Om een band te bereiken met de middenboer, zonder ook maar één minuut de strijd tegen de koelak te staken en altijd stevig op de arme boer te steunen”.
De herziening van het leninistische standpunt welke door de Stalin - Boekarin groep wordt doorgevoerd is samen te vatten in de volgende acht punten:
1) Het verlaten van het fundamentele principe van het marxisme dat een krachtige gesocialiseerde industrie de boeren kan helpen om de agricultuur om te vormen in collectivistisch opzicht.
2) Onderschatting van de ingehuurde arbeidskracht en de arme boer als sociale basis van de proletarische dictatuur in de plattelandsdistricten.
3) Onze hoop in de agricultuur zetten op de economisch sterke boer, in feite dus op de koelak.
4) Het veronachtzamen of zelfs direct ontkennen van het kleinburgerlijke karakter van het boerenbezit en de boereneconomie, wat een verlaten van de marxistische positie is, in de richting van de theorie van de Sociaal Revolutionairen.
5) Onderschatting van de kapitalistische elementen in de huidige ontwikkeling op het platteland en stilzwijgen van de klassenverschillen die onder de boeren zijn ontstaan.
6) Het scheppen van geruststellende theorieën waarin wordt gesteld dat de koelak en zijn organisaties geen kans hebben, omdat het algemene ontwikkelingskader in ons land is voorbeschikt door de proletarische dictatuur.
7) Het geloof dat coöperatieve kernen van koelakken in het systeem in te passen zijn. Het probleem kan als volgt worden omschreven; dat het noodzakelijk is de economische mogelijkheden van de gegoede boer, de koelak, vrij te geven.
8) De poging om Lenin’s plannen over coöperatieven tegenover zijn plannen van elektrificatie te plaatsen, terwijl volgens Lenin zelf alleen de combinatie van deze twee de overgang naar het socialisme zal garanderen.
Steunend op de revisionistische tendensen in de officiële partijlijn, hebben vertegenwoordigers van de nieuwe bourgeoisie, in aanraking gekomen met bepaalde delen van ons staatsapparaat, nu de openlijke wens uitgesproken om ons hele beleid op het platteland op kapitalistische leest te schoeien. Tegelijkertijd verbergen de koelakken en haar ideologische verdedigers al hun ambities onder de dekmantel van bezorgdheid over de ontwikkeling van de productiekrachten, over de stijging van de goederenproductie in het algemeen, enzovoort. Feitelijk betekent een koelak ontwikkeling van de productiekrachten, een koelak toename van goederenproductie een onderdrukking en tegenhouden van de ontwikkeling van de productiekrachten van de gehele rest van de boerenbevolking.
Ondanks het in vergelijking snelle wederopbouwproces in de agricultuur, is de gebruiksgoederenproductie van de boereneconomie nog erg laag. In 1925-1926 was de totale hoeveelheid goederen die op de markt kwamen maar 63% van het vooroorlogse niveau. Het exportvolume, vergeleken met 1913, maar 24%! De oorzaak hiervan is, naast de stijging van de consumptie in het dorp zelf, de kloof tussen de landbouw en industriële prijzen en de snelle accumulatie van consumptiegoederen door de koelakken. Zelfs het vijfjarenplan is gedwongen te erkennen dat het gebrek aan industriële goederen in zijn algemeenheid een definitieve grens veroorzaakt in de gelijkwaardige ruil van goederen tussen stad en platteland, het mogelijke volume aan landbouwgoederen dat op de markt kan verschijnen verlagend. En daarmee de groei van de industrie weer vertragend en zo ook de groei van de agricultuur zelf en met name de groei van de levensmiddelenproductie. Het ondermijnt de band tussen de stad en het platteland en leidt tot een snel klassenonderscheid onder de boeren.
De opvattingen van de oppositie en de bijbehorende meningsverschillen over het beleid voor de boeren zijn klip en klaar bevestigd. De gedeeltelijke correcties die, onder druk van de scherpe kritiek door de oppositie, in de algemene lijn zijn opgenomen, hebben de voortdurende afwijking van het officiële beleid, in de richting van de economisch sterke boer, niet weten in te tomen. Het bewijs hiervoor valt eenvoudig te leveren door het 14e Congres van de Sovjets in herinnering te nemen; het verslag van Kalinin repte met geen woord over de klassendifferentiatie op het platteland of de groei van de koelak.
Zulk beleid leidt maar tot één ding: we zullen de arme boer verliezen en er niet in slagen de middenboer te overtuigen.
Als gevolg van de bevolkingsgroei en de versnippering van landbouwpercelen, moeten 38% van de boerenbedrijven in graanproducerende regio’s, extra graan bijkopen.
In de afgelopen jaren hebben de landbouwdistricten zich in snel tempo in de richting van kapitalistische differentiatie ontwikkeld.
De groepen die niet zaaien of land bewerken zijn in de laatste 4 jaar teruggelopen van 45 naar 30%. De groep die 17 tot 28 are bebouwt is in die periode juist zo’n 100 tot 120% gegroeid. De groep die meer als 28 are bebouwt, steeg met 150 tot 350%. Het teruglopende aantal groepen dat weinig tot geen land verbouwt zit dicht bij het bankroet en algeheel verval. En zo is er in Siberië in 1 jaar tijd 15,8% van de nietzaaiende en 3,8% van de boeren die minder dan 6 are bebouwen, verdwenen. In het noorden van de Kaukasus is 14,1% van de nietzaaiende en 3,8% van de minder dan 6 are bebouwende, boeren verdwenen.
De ontwikkeling van de zonder paarden en gereedschappen opererende boerderijen in de onderste lagen van de middenboeren gaat verschrikkelijk langzaam. Vandaag de dag zijn in de Unie nog zo’n 303 tot 40% van alle boerderijen zonder paarden en gereedschappen en de meeste hiervan vallen ook nog onder bulk van kleine keuterboeren.
De verdeling van de essentiële productiemiddelen in de Noord Kaukasus is als volgt: 50% van de zwakste bezitters hebben 15% van de productiemiddelen in handen. De middengroepen, die zo’n 35% van de bezitters vormen, hebben ook 35% van de productiemiddelen in handen. En de rijkste groep, bestaande uit 15% van de bezitters, heeft 50% van de productiemiddelen. En diezelfde verdeling is op meerdere regio’s van toepassing (Siberië, Oekraïne, etc.).
Dit verslag van de oneerlijke verdeling van bouwgrond en gereedschap wordt bevestigd door de ongelijke verdeling van de graanreserves onder de diverse groepen van grondbezitters. Op 1 april 1926 was 58% van al het graanoverschot in het land in handen van 6% van de boerenbezitters.
Het verpachten van land neemt jaar na jaar steeds grotere vormen aan. De bezitters die land verpachten zijn in de meerderheid van de gevallen boeren die veel land bebouwen en de beschikking hebben over productiemiddelen. In de overgrote meerderheid van de gevallen wordt het feit dat er land wordt verpacht geheim gehouden, om belasting te ontduiken. De boeren die slechts een klein stukje bebouwen, niet in bezit van have of goed, moeten het land bewerken met gehuurd gereedschap en gehuurde dieren. De omstandigheden waaronder land, dieren en gereedschap geleend moeten worden, maken dat het op slavernij lijkt. Samen met afpersing in natura, neemt ook de woeker met geld hand over hand toe.
Het voortdurende opsplitsen van het boerenbezit versterkt juist het proces van klassendifferentiatie, in plaats van het te verzwakken. De machines en het krediet, in plaats van te functioneren als hefboom voor de socialisatie van de agricultuur, valt in zijn algemeenheid toe aan de koelak en de beter gesitueerde en versterkt zo de uitbuiting van de knechten, de arme boeren en de zwakkere middenboer.
Naast de concentratie van land en productiemiddelen in de handen van de toplaag, zetten deze laatste ook steeds vaker ingehuurde krachten aan het werk.
Aan de andere kant verliezen de lagere en gedeeltelijk ook de middenboeren, door bankroet of versnippering, dan wel door het wegdrukken van individuele familieleden, een toenemend aantal aan boerenknechten. Dit overschot aan arbeidskrachten komt in dienst van de koelak of de sterke middenboer, of vertrekt naar de steden, waar ze, in aanzienlijke aantallen, geen eens werk kunnen vinden.
Ondanks deze processen, die al ver zijn gegaan en leiden tot een afname in het relatieve economische gewicht van de middenboer, is deze nog steeds in aantal de grootste agriculturele groep. Om deze middenboer over te krijgen naar de kant van een socialistisch beleid in de agricultuur is een van de belangrijkste problemen van de proletarische dictatuur. Door onze hoop op de zogenaamde sterke boer te richten, betekent dat in werkelijkheid een verdere desintegratie van de middenlaag.
Alleen de juiste aandacht voor de knecht, een beleid gebaseerd op de arme boer en zijn verbond met de middenboer, alleen een beslissend gevecht tegen de koelak, alleen een beleid in de richting van klasse coöperatieven en klasse kredietsysteem in het land, zal het mogelijk maken om de middenboer te betrekken bij de socialistische opbouw van de agricultuur.
In de klassenstrijd die zich op dit moment in het land afspeelt, moet de partij, in woord en daad, aan de kant van de boerenknecht, de arme boer en de overgrote massa van de middenboer staan en hen organiseren tegen de uitbuitingswens van de koelak.
Om de klassenpositie van het agriculturele proletariaat, onderdeel van de arbeidersklasse, opnieuw te versterken en op te bouwen, zijn die reeks van maatregelen noodzakelijk die we al hebben aangegeven in het gedeelte over de omstandigheden van de industriearbeiders.
Landbouwkredieten mogen niet meer dienen als grotendeels een privilege voor de beter gesitueerden in het dorp. We moeten een eind aan de huidige situatie maken, waarbij de spaarcentjes van de armen, onbeduidende bedragen in zijn algemeenheid, niet aan de bestemde doelen worden uitgegeven, maar ten dienste komen te staan van de rijkere en middengroepen.
De groei van het landverpachten moet tot staan gebracht worden door een snellere ontwikkeling van de collectieve boerderij. Het is noodzakelijk dat jaar in, jaar uit, de pogingen van de arme boeren om zich in collectieven te organiseren, grotendeels worden gesubsidieerd.
Tegelijkertijd moeten we meer systematische steun aan de arme boer, die geen onderdeel van een collectief vormt, geven, door hem vrij te stellen van belasting, door een overeenkomstig grondbeleid, met krediet voor agriculturele investeringen en door ze in de agriculturele coöperatieven op te nemen. In plaats van de leuze ‘Creëer niet partijgebonden kaders onder de Boeren door de Sovjets nieuw leven in te blazen’ (Stalin - Molotov), een leuze die geen enkele klasse inhoud heeft en in werkelijkheid alleen de overheersende rol van de gegoede boer versterkt, moeten we de volgende leus hanteren: Creëer niet-partijgebonden kaders uit de knechten, arme boeren en eraan gelieerde middenboeren.
We moeten een echte, werkelijke, geplande, algemene en duurzame organisatie van de armen hebben, gericht op de vitale politieke en economische problemen van het leven, zoals verkiezingen, belastingcampagnes, invloed op de kredietverdeling, machines, landverdeling en landgebruik, het opzetten van collectieven, het creëren van landbouwsubsidies voor de armen, etcetera.
De partij zou met alle middelen de economische vooruitgang van de middenboer moeten promoten, door een verstandig graanprijzenbeleid, door het organiseren van krediet en coöperatieven die voor de middenboer bereikbaar zijn, door de systematische en geleidelijke introductie van deze grootste landbouwersgroep tot de voordelen van grootschalige gemechaniseerde collectieve agricultuur.
De taak van de partij in relatie tot de groeiende koelaklaag zou moeten bestaan uit een alzijdige beperking van hun uitbuitingspogingen. We moeten geen afstand doen van het artikel in onze grondwet dat de uitbuitende klassen uitsluit van electorale rechten in de Sovjets. De volgende maatregelen zijn noodzakelijk: Een scherp stijgend progressief belastingsysteem; strafrechterlijke maatregelen ter bescherming van de loonarbeiders en een regulering van het loon van agriculturele arbeiders; een correct klassenbeleid ten aanzien van de verdeling en het gebruik van het land; hetzelfde laken en pak ten aanzien van de verdeling van de technische hulpmiddelen, tractoren e.d., over het land.
De toename van verpachten van landbouwgrond, de bestaande teeltmethode, waardoor landbouwgemeenschappen buiten de controle en leiding van de Sovjet komen te staan en meer en meer onder invloed van de koelakwijze van landgebruik, maakt dat de resolutie van het 14e Congres over schadeloosstelling bij herverkaveling feitelijk de grondvesten ondermijnt van de nationalisatie van het land.
Een van de meest essentiële maatregelen ter bekrachtiging van de nationalisatie van het land is de onderwerping van deze landbouwgemeenschappen aan de plaatselijke staatsorganen en de vestiging van een ferme controle door de plaatselijke sovjets, verschoond van koelak elementen, over de regulering van alle kwesties betreffende de verdeling en het gebruik van de landbouwgronden. Het doel van deze controle moet de maximale verdediging van de belangen van de arme en zwakke keuterboeren zijn tegen overheersing door de koelak. En het is in het bijzonder noodzakelijk dat de koelak, als verpachter van land, onder volledige controle en toezicht komt te staan, niet alleen in woord, maar ook in daad, van de Sovjetmachtsorganen op het platteland.
De partij zou een onwrikbaar verzet moeten bieden aan alle tendensen die voor de opheffing of de ondermijning van de nationalisatie van het land zijn, een van de pijlers van de dictatuur van het proletariaat.
Het huidige systeem van maar één tarief van agriculturele belasting zou moeten worden veranderd in de richting van een vrijstelling voor de 40 tot 50% van de armste boeren en boerenfamilies, zonder dit bedrag dan te verhalen op de bulk van de middenboeren. De datum van belastingafdracht zou aangepast moeten worden aan het moment dat dit de arme boeren het beste uitkomt.
Er zal een veel hoger bedrag moeten worden verzameld om staats en collectieve boerderijen op te zetten. Een maximum aan voorrechten dient te worden verleend aan de nieuw opgezette collectieve boerderijen en andere vormen van collectieve bedrijfsvoering. Al het werk van de coöperatieven zou doordrongen moeten zijn van de wil om kleinschalige productie om te zetten naar grootschalige coöperatieve productie. Een daadkrachtig klassenbeleid moet gevolgd worden op het gebied van de toelevering van machine en er dient speciale strijd te worden geleverd tegen de valse nepgereedschapverhuurders.
Het werk van de landverdeling zou volledig op kosten van de staat moeten gaan en het eerste waar voor moet worden gezorgd is de collectieve boerderij en de keuterboerderijen, met maximale bescherming van hun belangen.
De prijzen van graan en andere agriculturele producten zou gegarandeerd moeten worden aan de armen en doorsnee middenboeren, zodat ze hun boerderijen in ieder geval op gelijk niveau kunnen handhaven en geleidelijk verbeteren. Er moeten maatregelen worden genomen om het verschil tussen lente en herfst prijzen voor graan op te heffen. Want dit verschil raakt de armste het hardst en geeft alle voordeel aan de toplagen.
Het is niet alleen noodzakelijk om de fondsen voor de arme boeren aanzienlijk te doen toenemen, maar ook om radicaal de hele systematiek van toewijzing van landbouwkredieten te veranderen, gericht op het verstrekken van langdurige goedkope kredieten aan de arme en zwakke midden boer en de afschaffing van het huidige systeem van garanties en referaten.
De taak van socialistische opbouw op het platteland is de hervorming van de agricultuur op basis van grootschalige, gemechaniseerde, collectieve agricultuur. Voor de overgrote meerderheid van de boeren is de eenvoudigste weg hier naar toe samenwerking, zoals Lenin al in zijn boek Over Coöperatie schreef. Het is de proletarische dictatuur en het sovjetsysteem wat dit enorme voordeel aan de boeren weet te geven. Alleen een proces van een groeiende industrialisatie van de agricultuur kan de brede basis scheppen voor deze socialistische coöperatie (of collectivisme). Zonder een technische revolutie in de huidige productiewijze, oftewel zonder landbouwmachines, gewasrotatie, kunstmest, etcetera, is geen succesvolle en grootschalige omslag in de richting van werkelijke collectivisatie in de agricultuur mogelijk.
Coöperatieve productie en verkoop zal alleen tot socialisme leiden als:
1) dit proces plaatsvindt onder de directe economische en politieke invloed van de socialistische elementen, met name de grootindustrie en de vakbonden en;
2) ervoor wordt gezorgd dat de handelsfuncties van de agriculturele coöperatieven geleidelijk leiden tot de collectivisatie van de agricultuur zelf.
Het klassenkarakter van de agriculturele coöperatieven zal worden bepaald, niet alleen door het numerieke gewicht van de diverse groepen van samenwerkende boeren, maar meer nog door hun economische gewicht. De taak van de partij bestaat hieruit er op toe te zien dat de agriculturele coöperatie een werkelijk verbond betekent van de arme en middengroepen onder de boeren en een wapen is in het gevecht van die elementen tegen de groeiende economische macht van de koelak. We moeten systematisch en onophoudelijk het agriculturele proletariaat aansporen om collectieven op te bouwen.
Een succesvolle coöperatieve structuur is alleen levensvatbaar onder omstandigheden van maximale activiteit van de samenwerkende bevolking. Een werkelijk verbond van de coöperatieven met de grootindustrie en de proletarische staat vooronderstelt een normaal regime in de coöperatieve organisaties, die bureaucratische reguleringsmethodes uitsluit.
Met het oog op het overduidelijk verlaten van de fundamentele bolsjewistische koers op het platteland door de partijleiding en hun neiging om op de gegoede boer en koelak te leunen; in ogenschouw genomen dat dit beleid wordt verhuld door antiproletarische toespraken over ‘arme luis-illusies’, klaploperij en slampamperij en over de zogenaamde geringe rol die de arme boer in de verdediging van de Sovjet Unie speelt - met het oog op deze zaken is het meer dan ooit noodzakelijk ons de woorden in het partijprogramma te herinneren. Terwijl we ondubbelzinnig het doorslaggevende belang van een verbond met de middenboer erkennen, stelt ons programma luid en duidelijk:
“In al haar werk op het platteland steunt de Russische Communistische Partij zoals voorheen op de proletarische en semi-proletarische krachten. Boven alles organiseert zij haar in onafhankelijke krachten, door partijcellen in de dorpen op te zetten, organisaties voor de armen, een speciaal type vakbond voor de proletarische en semi-proletarische elementen op het platteland, enzovoort. Zij probeert hen op elke mogelijke manier te vereenzelvigen met het stedelijke proletariaat en ze te ontrukken aan de invloed van de plattelandsbourgeoisie en de kleine grondbezitters.”
“De enige materiële basis voor het socialisme is de zware industrie, in staat om de agricultuur te reorganiseren” (Lenin, Deel 18, hfst. 1, blz. 18).
De basisvoorwaarde voor socialistische ontwikkeling onder de huidige voorbereidende omstandigheden en onder de gegeven historische omstandigheid van kapitalistische omcirkeling en vertraging in de wereldrevolutie is een dusdanige mate en tempo van industrialisatie zodat in ieder geval de volgende problemen worden opgelost:
1) De materiële positie van het proletariaat binnen het land moet versterkt worden, zowel in absolute als in relatieve zin (groei in aantal werkende arbeiders, daling van de werkloosheid, verbetering in de welstand van de arbeidersklasse en, met name, een toename van woonruimte en vierkante meters per hoofd van de bevolking om aan de sanitaire normen te voldoen).
2) Het productieniveau van de industrie, het transport en de krachtcentrales dient in ieder geval in gelijk tempo mee te groeien met de stijging aan de vraag en bronnen uit het land als geheel.
3) De agricultuur dient een manier te vinden om stapsgewijs over te gaan naar een hogere technische basis en aan de industrie een toenemende aanvoer van grondstoffen te garanderen.
4) Ten aanzien van de ontwikkeling van de productiekrachten, op het gebied van de techniek en op het gebied van het verbeteren van de materiële omstandigheden van de arbeidersklasse en arme boeren, moet de Sovjet Unie niet verder achter gaan lopen op de kapitalistische landen, maar in de nabije toekomst ze juist inhalen.
5) De industrialisatie moet voldoende zijn om de verdediging van het land te garanderen en met name toereikend voor de groei van de oorlogsindustrie.
6) De socialistische staat en de coöperatieve elementen moeten systematisch groeien, zodanig dat ze delen van de presocialistische elementen (kapitalistisch en prekapitalistisch) ofwel overwoekeren, dan wel onderwerpen of omvormen.
Ondanks onze aanzienlijke successen op het gebied van industrialisatie, elektrificatie en transport, heeft de industrialisatie nog lang niet het niveau bereikt dat noodzakelijk of mogelijk is. Het huidige tempo van industrialisatie en het aangegeven tempo voor de komende jaren schieten overduidelijk tekort.
Er is geen beleid en zal er natuurlijk ook nooit komen, waarmee we met een ferme streep al onze problemen kunnen oplossen, of een langere periode van systematische promotie van onze economie en cultuur kunnen overslaan. Juist onze achterstand op economisch gebied vereist een rationele en tijdelijke mobilisatie van al onze reserves en een correct gebruik van het land. De chronische achterstand op het gebied van industrie, transport, elektrificatie en woningbouw, achterlopend op de vraag en de behoefte van de bevolking, van de publieke economie en het sociale systeem als geheel, houdt de gehele economische productie van het land in een wurggreep. Het remt de realisatie van agriculturele doelstellingen van verkoopbare producten en haar export. Het beperkt de importmogelijkheden enorm, waardoor prijzen en productiekosten worden opgedreven, instabiliteit van de Tsjervonetz veroorzakend en houdt de ontwikkeling van de productiekrachten tegen. Het vertraagd alle verbeteringen in de materiële levensomstandigheden van het proletariaat en de boerenmassa’s, veroorzaakt een alarmerende groei van de werkloosheid en een verval in de huisvestingsituatie. Het ondermijnt de band tussen de industrie en de agricultuur en verzwakt de capaciteit van het land om zichzelf te verdedigen.
Het ontoereikende tempo van industrialisatie leidt op zijn beurt tot een afname van de groei van de agricultuur. Tegelijkertijd is er geen industrialisatie mogelijk zonder een doorslaggevende groei van de productiekrachten in de agricultuur en haar productie voor de markt.
De noodzakelijke versnelling van de industrialisatie is onmogelijk zonder een systematische en vasthoudende verlaging van de productiekosten en van de groothandel en consumentenprijzen van industriële goederen, alsmede een toenadering tot de wereldhandelsprijzen. Daarin ligt ook de echte vooruitgang, zowel in de zin van het verhogen van onze productie op een hogere technische basis en in de zin van een beter voldoen aan de wensen en behoefte van de bevolking.
Het is tijd om een eind te maken aan het zinloze en ongepaste gezeur over het feit dat de oppositie de prijzen wil verhogen. De partij is absoluut unaniem in haar verlangen de prijzen te verlagen. Maar verlangen alleen is niet genoeg. Beleid moet niet worden afgemeten aan de intentie, maar aan het resultaat. De resultaten van het huidige gevecht om de prijzen te verlagen hebben meer dan eens zelfs belangrijke mensen uit onze leiding gedwongen om de volgende vragen te stellen: “Verliezen we op deze manier niet een heleboel geld?”. “Waar is het miljard gebleven?”, vroeg Boekarin januari dit jaar. “Wat gebeurt er met het verschil tussen groothandels en detailhandelprijzen?”, vroeg Rudzoetak, na hem sprekend over hetzelfde onderwerp (Politburo notulen, 03-03-1927, pagina 20-21).
Door een chronisch gebrek aan goederen, het grootschalige en dom bureaucratisch verlagen van groothandelsprijzen, wat in de meerderheid van de gevallen toch al niet ten goede komt aan de arbeiders en arme boer, heeft dit de staatsindustrie een verlies opgeleverd van honderden miljoenen roebel. Het hierdoor resulterende verschil tussen groothandel en winkelprijs, met name in handen van de private handelaar, is zo monsterlijk dat zelfs deze openlijk toegeeft dat, wanneer er een juist beleid was gevolgd, er de mogelijkheid was geweest een deel van deze handelswinst in handen van de staatsindustrie te houden. De onweerlegbare conclusie van de gehele economische ervaring van de afgelopen jaren is de noodzaak om zo snel mogelijk de ongelijkheden weg te werken, de hoeveelheid industriële goederen te laten toenemen en een versnelling van het groeitempo van de industrie. Dat is de voornaamste weg naar een werkelijke verlaging van groothandels en consumentenprijzen en boven alles een verlaging van de productiekosten, die het laatste jaar juist een stijgende trend vertoonde in plaats van daling.
De kwestie van een vijfjarenplan voor de ontwikkeling van de nationale economie, op de agenda van het komende 15e partijcongres, zou een centrale plaats in de partij moeten hebben. Het vijfjarenplan is nog niet officieel aangenomen en zal in zijn huidige vorm ook moeilijk aangenomen kunnen worden. Desalniettemin toont het de fundamentele opvattingen van de huidige economische leiding in zijn meest systematische en afgeronde vorm.
Kapitaalsinvesteringen in de industrie zullen van jaar tot jaar nauwelijks groeien volgens het huidige plan (1,142 miljoen volgend jaar; 1,205 miljoen in 1931). En in verhouding tot het totale bedrag wat in de nationale economie zal worden geïnvesteerd, zal het dalen van 36,4% tot 27,8%. De netto investeringen van het staatsbudget in de industrie zullen, volgens dit programma, in dezelfde periode dalen van ongeveer 200 miljoen naar 90 miljoen.
De jaarlijkse productiestijging is vastgesteld tussen 4 en 9% jaar per jaar, hoger dan de jaarlijkse productiestijgingen in de kapitalistische landen in tijden van snelle groei. De reusachtige mogelijkheden voortkomend uit de nationalisatie van het land, de productiemiddelen en de banken en de centralisatie van het bestuur, met andere woorden, de voordelen van de socialistische revolutie vinden niet of nauwelijks een uitdrukking in het vijfjarenplan.
De individuele consumptie van industriegoederen, op dit moment zeer armoedig, wordt geacht over de gehele planperiode met 12% te groeien. Het verbruik van katoenen stoffen zou in 1931 zo’n 97% van het vooroorlogse niveau zijn, maar eenvijfde dan dat van de V.S. Het steenkoolverbruik zal maar eenzevende van dat van Duitsland in 1926 zijn, eenzeventiende van de V.S. in 1923. Het gebruik van gietijzer maar iets meer dan een kwart van Duitsland, eenelfde van de Verenigde Staten. De elektriciteitsproductie is maar eenderde van die van Duitsland, eenzevende van die in de V.S. Het papierverbruik aan het eind van de planperiode zal 83% van het vooroorlogse niveau bedragen. En dat 15 jaar na Oktober! Om op de verjaardag van de Oktoberrevolutie een dusdanig spaarzaam en door en door pessimistisch plan te presenteren betekent feitelijk dat je tegen het socialisme werkt.
De verlaging van consumentenprijzen met 17%, zoals voorgesteld in het vijfjarenplan zal, zelfs als het wordt gehaald, nauwelijks enig effect hebben op de verhouding tussen onze prijzen en die op de wereldmarkt, die bovendien ongeveer twee en een half tot drie keer zo laag liggen.
Maar zelfs met deze onbeduidende prijsverlaging (en dan alleen als planmatig voornemen) voorziet het vijfjarenplan een tekort in industriële goederen in relatie tot de werkelijke vraag van het land ter grootte van 400 miljoen roebel per jaar. Als we aannemen dat de huidige monsterlijke groothandelsprijzen 22% zullen dalen in de loop van 5 jaar, een zeer bescheiden daling, dan zou dat alleen al leidden tot een goederentekort ter hoogte van 1 miljard. Daarmee wordt de huidige ongelijkheid ongeschonden in stand gehouden en daardoor een onophoudelijke bron van consumentenprijsstijgingen.
Het vijfjarenplan belooft aan de boeren in 1931 ongeveer dezelfde hoeveelheid industriële goederen als voor de oorlog, tegen anderhalf keer de kosten. Aan de arbeiders in de zware industrie belooft het een stijging van 33% van het nominale loon aan het eind van de planperiode, los van misplaatste hoop op een daling van de prijzen. De ongelijkheid tussen aanbod en vraag dient opgelost te worden, volgens het schema van de Staatsplanningscommissie, door de huur die de arbeiders nu betalen, te laten toenemen met 200 tot 250%, wat zo’n 400 miljoen roebel op jaarbasis op moet leveren. Omdat ze in de gaten hebben gekregen dat er een koopkracht overschot is bij de gegoede lagen onder de bevolking, hebben de beroepskrachten van de Planningscommissie verzonnen dat dit rechtgezet dient te worden door de reële lonen van de arbeiders te verlagen! Het is moeilijk te geloven dat zo’n methode om het evenwicht op de markt te herstellen wordt voorgesteld door de verantwoordelijke organen van een arbeidersstaat. Het enige wat dit foutieve voorstel zal bereiken is dat de consument noodgedwongen een oplossing zal gaan zoeken langs de weg van de afschaffing van het monopolie op buitenlandse handel.
De aanleg van 6000 tot 7000 werst aan nieuwe spoorwegen, zoals aangegeven in het vijfjaren plan, tegen bijvoorbeeld de 14.000 verst die werd aangelegd in de periode 1895-1900, betekent een gevaarlijk tekort, niet alleen vanuit het oogpunt van socialistische industrialisatie maar ook vanuit de meest elementaire economische noodzaak voor deze regio’s.
Met enkele afwijkingen naar deze of gene zijde is dit de werkelijke houding van de staatsorganen die de ontwikkelingen van onze economie moeten leiden. Dit is hoe de echte politieke koers van onze huidige leiding eruit ziet.
In het lange gevecht tussen de twee onverenigbare vijandige sociale systemen, het kapitalisme en het socialisme, zal de uitkomst uiteindelijk worden bepaald door de relatieve arbeidsproductiviteit onder elk systeem. En onder marktomstandigheden zal dit worden gemeten in de verhouding tussen onze binnenlandse prijzen en die op de wereldmarkt. Het was dit fundamentele feit dat Lenin voor ogen had, toen hij, in een van zijn laatste toespraken, de partij waarschuwde voor de beproeving waaraan de internationale markt de Russische markt zou onderwerpen, “omdat we er ondergeschikt aan zijn, ermee verbonden zijn en ons niet van los kunnen breken”. (Lenin, Deel 18, 2e deel, blz. 33) En om die reden is ook het idee van Boekarin, dat we in elk tempo, zelfs met een slakkengang, het socialisme op kunnen bouwen, pure kleinburgerlijke lariekoek.
Het monopolie op Buitenlandse Handel is een levensnoodzakelijk wapen in de socialistische opbouw, zeker omdat de kapitalistische landen een hogere technische basis hebben. Maar de socialistische economie die we nu proberen op te bouwen kan alleen door dit monopolie beschermd worden, als haar uitgangspunten ten aanzien van de wereldmarkt zijn gestoeld op; de stand der techniek, productiekosten en de kwaliteit en prijs van de producten zelf. Het doel van de economische leiding zou moeten zijn, niet het creëren van een besloten, zelfvoorzienende economie, ten koste van een onvermijdelijke inkrimping en afnemende vooruitgang, maar juist het tegenovergestelde, een alzijdige toename van haar relatieve gewicht in de wereldeconomie, wat bereikt zou moeten worden door een zo hoog mogelijk opschroeven van het groeitempo.
Hiervoor is het noodzakelijk dat:
1) het enorme belang van onze exporthandel op zijn juiste waarde wordt geschat (omdat die nu gevaarlijk achterloopt op de ontwikkeling van de economie in zijn algemeenheid (het aandeel van de Sovjet Unie in het wereldvolume van commerciële transacties is afgenomen van 4,2% in 1913 tot 0,97% in 1926);
2) we met name ons beleid tegenover de koelak drastisch wijzigen, omdat het voor hen nu mogelijk is onze socialistische export te ondermijnen door het hamsteren en speculeren met de handelswaar;
3) we onze banden met de wereldeconomie versterken, vanuit de invalshoek van een alzijdige versnelling van de industrialisatie en een versterking van het socialistische element in onze eigen economie, in plaats van het versterken van het kapitalistische element, opdat onze beperkte accumulatie in de nabije toekomst niet wordt verkwanseld, maar door een stapsgewijze en bewuste aanpak over te gaan naar nieuwe productievormen die ons in de eerste plaats zal voorzien van de meest noodzakelijke en beschikbare machines, zodat we op een slimme en gepaste wijze onze eigen industrie kunnen stimuleren door systematisch de verworvenheden van de wereldwijde kapitalistische techniek in te passen.
Als we onze hoop vestigen op een geïsoleerde ontwikkeling van het socialisme en mate van economische ontwikkeling die los staat van de wereldeconomie, draaien we onszelf een rad voor ogen. Het zet onze planningsleiding op het verkeerde spoor en het geeft ook geen richtlijnen om onze relatie met de wereldeconomie op een correcte wijze te reguleren. We hebben dan geen aanknopingspunten om te beslissen wat we zelf moeten maken en wat te importeren. Een definitief afwijzen van de theorie van de geïsoleerde socialistische economie zal in de loop van enkele jaren betekenen dat we een onvergelijkelijk beter en rationeler gebruik van onze bronnen zullen maken, snellere industrialisatie en een planmatigere en krachtigere groei van onze machine-industrie. Het zal een snellere toename in het aantal werkenden en een echte daling van de prijzen betekenen, oftewel een algemene versterking van de positie van de Sovjet Unie in een kapitalistische omgeving.
Maar zal de groei van onze band met het wereldkapitalisme geen gevaar opleveren in het geval van een blokkade of oorlog? Het antwoord op deze vraag valt af te leiden uit alles wat hiervoor is gezegd.
Oorlogsvoorbereidingen vragen natuurlijk om het creëren van reserves van voor ons noodzakelijke buitenlandse grondstoffen en de tijdige vestiging van voor ons vitale nieuwe industrieën, bijvoorbeeld ter productie van aluminium en dergelijke. Maar de belangrijkste kwestie in geval van een langdurige serieuze oorlog is het hebben van een industrie die zeer hoog ontwikkeld is en in staat om zowel massaproductie te draaien, als snel om te schakelen van de ene vorm van productie naar de andere. Het recente verleden heeft aangetoond hoe een hoogontwikkeld industrieel land als Duitsland, met ontelbare draden verbonden aan de wereldmarkt, een gigantische vitaliteit en weerstandsvermogen wist te tonen toen oorlog en blokkades haar in een klap van de gehele wereld afsloot.
Als we er in slagen om, tijdens deze vreedzame periode, met onze onvergelijkbare voordelen van sociale structuur, de wereldmarkt te gebruiken om onze industriële ontwikkeling te bespoedigen, zullen we elke blokkade of interventie veel beter voorbereid en bewapend tegemoet kunnen treden.
Geen enkel binnenlands beleid kan ons, uit zichzelf, van de economische, politieke en militaire gevaren van kapitalistische omcirkeling bevrijden. Onze binnenlandse taak is ons zelf te versterken op basis van een correct klassenbeleid, een band te creëren tussen de arbeidersklasse en de boeren, om zo in een zo snel mogelijk tempo de ingeslagen weg van socialistische opbouw te vervolgen. De binnenlandse bronnen van de Sovjet Unie zijn enorm waardoor ons deze mogelijkheid ook echt wordt geboden. Door tegelijkertijd de kapitalistische wereldmarkt voor dit doel aan te wenden, verbinden we onze fundamentele historische berekeningen aan de verdere ontwikkeling van de proletarische wereldrevolutie. Haar overwinning in bepaalde leidende landen zal de ring van kapitalistische omcirkeling doorbreken en ons verlossen van onze zware militaire last. Dat zal ons enorm versterken op technisch gebied, onze complete ontwikkeling in stad en land versnellen, op school en bedrijf. Het zal ons de mogelijkheid bieden om het echte socialisme op te bouwen; een klassenvrije samenleving, gebaseerd op de hoogst ontwikkelde techniek en op echte gelijkwaardigheid van alle leden op het gebied van werk en het nuttigen van de vruchten van die arbeid.
Op de vraag waar we de middelen kunnen vinden voor een daadkrachtigere en meer revolutionaire oplossing voor het probleem van echte industrialisatie en een snellere verbetering van de massacultuur, de twee kwesties waarvan het lot van de socialistische dictatuur afhangt, stelt de oppositie het volgende:
De fundamentele bron is de herverdeling van het nationale inkomen door een juist gebruik te maken van het budget, krediet en prijzen.
Een aanvullende bron is een juist gebruik van onze banden met de wereldeconomie.
1) Volgens het vijfjarenplan zal de begroting, zowel van de staat als die van de gemeentes, in de komende 5 jaar stijgen van 6 naar 8,9 miljoen roebel en zal in 1931 zo’n 16% van het nationale inkomen uitmaken. Dat is een kleiner deel van het nationale inkomen als onder het vooroorlogse tsaristische budget, toen het 18% was. De begroting van een arbeidersstaat zou niet alleen, maar hoort een groter deel van het nationale inkomen op te slokken dan een burgerlijke begroting. Dit vooronderstelt natuurlijk dat deze echt socialistisch dient te zijn en dat, samen met stijgende uitgaven voor volksonderwijs, aanzienlijk grotere sommen geld worden toegewezen aan de industrialisatie van het land. Het netto deel van de begroting dat voor de behoeftes van industrialisatie wordt gereserveerd zou 500 miljoen tot 1 miljard moeten bedragen in de loop van de komende 5 jaar.
2) Het belastingsysteem loopt niet synchroon met de groei van accumulatie van de bovenste lagen van de boeren en de nieuwe bourgeoisie in het algemeen. Het is noodzakelijk om:
a) alle bovenmatige winsten van private ondernemingen extra te belasten tot een som van 150 tot 200 miljoen roebel in plaats van de huidige 5 miljoen roebel;
b) ter versterking van onze export een extra bijdrage zeker te stellen van de gegoede koelakken, die ongeveer 10% van de boerensamenleving uitmaken, van zeker 150 miljoen poed [Oudrussische gewichtseenheid] graan. Deze moeten worden verzameld in ruil voor een lening, uit die graanopslagplaatsen waar in 1926-1927 zo’n 800 tot 900 miljoen poed lag opgeslagen en grotendeels in handen zijn van de toplagen van de boerenstand.
3) Het is noodzakelijk om een doortastend beleid te implementeren waardoor de groothandel en detailhandelsprijzen effectief en serieus zullen dalen en de onderlinge verschillen tussen de prijzen verkleinen. En het moet dusdanig gebeuren dat de prijsverlagingen boven alles de massa consumptiegoederen van de arbeiders en boeren betreffen. (Het moet gebeuren zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit, die al veel te laag is en door de huidige manier alleen maar slechter wordt) Deze prijsverlagingen mogen niet ten koste gaan van de noodzakelijke accumulatie van de staatsindustrie en moeten voornamelijk worden doorgevoerd via een toename van de hoeveelheid goederen, een verlaging van de productiekosten, een vermindering van de overheadkosten en het snoeien in het bureaucratische apparaat. Een meer elastisch beleid van prijsverlagingen, beter toegesneden op de marktomstandigheden en meer op individuele omstandigheden toegespitst, oftewel een betere overweging van de marktpositie van de desbetreffende goederen ten opzichte van elkaar, zou de staatsindustrie enorme sommen geld opleveren, die nu aan de strijkstok van het private kapitaal en het commerciële parasitisme in het algemeen blijft hangen.
4) Het economische regime, dat volgens het manifest van Stalin en Rykov van verleden jaar, zo’n 300 tot 400 miljoen roebel per jaar had moeten opleveren, heeft feitelijk volledig verwaarloosbare resultaten opgeleverd. Economisch beleid is een kwestie van klassenpolitiek en kan alleen worden gerealiseerd onder directe druk van de massa’s. De arbeiders moeten het ook durven deze druk uit te oefenen. Het is alleszins mogelijk om de niet-productieve uitgaven te verlagen met 400 miljoen roebel per jaar.
5) Een vaardig gebruik van wapens als het monopolie op buitenlandse handel, buitenlands krediet, concessies, contracten voor technische ondersteuning etcetera, kunnen aanvullend inkomen opleveren. Het zal sowieso de doelmatigheid van onze uitgaven enorm verbeteren, door ons te voorzien van moderne techniek en zo de hele loop van onze ontwikkeling versnellend, waardoor onze afhankelijkheid van de kapitalistische omgeving wordt verminderd ten gunste van echte socialistische onafhankelijkheid.
6) De kwestie van het selecteren van personeel van onder tot boven en van de juiste verhoudingen tussen hen is, tot op zekere hoogte, een financieel vraagstuk. Hoe slechter het personeel, hoe meer geld er nodig is. Het bureaucratisch regime werkt averechts op een goede selectie van personeel en correcte onderlinge verhoudingen.
7) De ‘wijsheid achteraf’ van onze huidige economische leiding betekent in de praktijk een verlies van vele tientallen miljoenen. Dat is de prijs die we betalen voor het gebrek aan voorspellend vermogen, disharmonie, vrekkigheid en traagheid.
8) De belastinginkomsten alleen zijn niet toereikend om te voorzien in de constant stijgende vraag in onze nationale economie. Het krediet dient een steeds belangrijkere hefboom in de verdeling van ons nationale inkomen te worden, langs de lijnen van socialistische opbouw, welke vooral een stabiele munteenheid en een gezonde geldcirculatie vereist.
9) Een stringenter klassenbeleid in onze economie, waardoor de grenzen voor speculatie en uitbuiting worden teruggedrongen, zal het voor onze regerings, en kredietinstellingen makkelijker maken om individuele spaargelden te mobiliseren. Dit zou een onvergelijkelijk bredere financiering door middel van lange termijn kredieten voor de industrie mogelijk maken.
10) De regeringsverkoop van wodka werd in eerste instantie als experiment geïntroduceerd en met het idee dat het grootste deel van de inkomsten voor de industrialisatie zou worden gebruikt, in de eerste plaats het herstel van de metaalindustrie. In werkelijkheid is door de staatsverkoop van wodka de industrialisatie er alleen maar op achteruit gegaan. Het is noodzakelijk toe te geven dat het experiment volledig is mislukt. Onder het Sovjet regime is de staatsverkoop van wodka een nadeel, niet alleen voor de private economie, net zoals onder het tsarisme, maar eveneens en in hogere mate voor de staatseconomie. De toename van afwezigheid, onzorgvuldig werk, verspilling, ongelukken, brand, gevechten, ongelukken en dergelijke, al deze zaken kosten bij elkaar honderden miljoenen roebels per jaar. De staatsindustrie verliest aan de wodka meer dan de staatskas aan wodka verdient en vele malen meer dan de industrie uit de staatskas krijgt. Het stopzetten van de staatsverkoop van wodka binnen een zo snel mogelijke tijdspanne (2 of 3 jaar) zal automatisch de materiële en spirituele bronnen tot industrialisatie verhogen.
Dit is het antwoord op de vraag waar we de middelen kunnen vinden. Het is niet waar dat de trage industrialisatie wordt veroorzaakt door de afwezigheid van bronnen. De middelen zijn schaars, maar ze bestaan wel. Wat nodig is, is correct beleid.
Het vijfjarenplan van de Staatsplanningscommissie zou categorisch afgewezen moeten worden en veroordeeld als fundamenteel onverenigbaar met de taak om Rusland om te vormen van de NEP naar een socialistisch Rusland. We moeten in daden een herverdeling van de belastingdruk over de klassen doorvoeren, door de koelak en de NEP-man zwaarder te belasten en die van de arbeiders en armen te verlichten.
We moeten het relatieve belang van de indirecte belastingen terugdringen. We moeten in de nabije toekomst de staatsverkoop van wodka stoppen.
We moeten de financiële huishouding van de spoorwegen op orde brengen.
We moeten de financiële huishouding van de industrie op orde brengen.
We moeten de verwaarloosde bosbouw nieuw leven inblazen, want dit kan en moet een enorme bron van inkomsten worden.
We moeten een onwrikbare stabiliteit van onze munteenheid garanderen. De stabilisatie van de Tsjervonetz vereist een verlaging van de prijzen aan de ene kant en evenwicht in de begroting aan de andere. Het uitgeven van papieren valuta om een begrotingstekort af te dekken moet niet worden toegestaan.
We moeten een strikt rationele begroting hebben, zonder tekorten en robuust gewapend tegen allerlei afwijkingen en incidenten
In de begroting van 1927-1928 moeten we het aandeel voor onze verdediging (primair voor de oorlogsindustrie) aanzienlijk verhogen, voor de industrie in het algemeen, voor elektrificatie, voor het vervoer, voor huizenbouw, voor maatregelen die leiden naar de collectivisatie van de agricultuur.
We moeten standvastig alle pogingen om het Monopolie op Buitenlandse Handel af te zwakken afwijzen.
We moeten ferm koersen op industrialisatie, elektrificatie en rationalisatie, gebaseerd op een toename van de technische kracht van de economie en de verbetering van de materiële omstandigheden van de massa’s.
Het bureaucratische apparaat van elke burgerlijke staat, het maakt niet uit in welke vorm, verheft zich boven de bevolking, haar heerschappij versterkend door een wederkerige loyaliteit met de heersende klasse en systematisch onder de massa’s angst en onderworpenheid aan de overheersers te propaganderen. De oktoberrevolutie, door het oude staatsapparaat te vervangen door arbeiders, boeren en soldatensovjets, deelde de zwaarste dreun in de geschiedenis uit aan het aloude ideaal van de bureaucratische staat.
Ons partijprogramma zegt over deze kwestie:
“In het meest bittere gevecht tegen bureaucratisering, past de Russische Communistische Partij om dit kwaad volledig te overwinnen de volgende maatregelen toe:
1) het verplicht betrekken van ieder lid van de Sovjet bij enige werkzaamheden in het besturen van de staat.
2) een continue rotatie van deze taken, zodat ieder lid geleidelijk bekend wordt met alle takken van bestuur.
3) het geleidelijk betrekken van de volledige arbeidsbevolking, tot aan de laatste man, bij het werk van het Sovjetbestuur. Een volledige en alzijdige uitvoering van deze maatregelen, welke een stap verder zijn op de weg ingeslagen door de Parijse Commune, betekenen een vereenvoudiging van de bestuurstaken en zullen, samen met een stijging van het culturele niveau van de arbeiders, leiden tot de afschaffing van de staatsmacht”.
Het vraagstuk van het Sovjet bureaucratisme is niet alleen een kwestie van trage procedures en teveel staf. Aan de basis is het een kwestie van de klassenrol die door de bureaucratie wordt gespeeld, van haar sociale banden en sympathieën, van haar macht en bevoorrechte positie, haar verhouding tot de NEP-man en de ongeschoolde arbeider, tot de intellectueel en de analfabeet, tot de vrouw van een Sovjetdignitaris en de meest onderontwikkelde boerenvrouw, etc., etc. Door wiens hand laat de bestuurder zich leiden? Dat is het fundamentele vraagstuk die in de dagelijkse realiteit van het leven van miljoenen werkenden elke dag weer aan een test wordt onderworpen.
Aan de vooravond van de oktoberrevolutie, verwijzend naar de analyse van Marx over de Parijse Commune, werd door Lenin het idee sterk benadrukt dat: “onder het socialisme ambtenaren op zullen houden bureaucraten te zijn, Otsjinovniks [bureaucraat, topambtenaar onder het tsarisme] te zijn. Maar dat zal pas ophouden, in zoverre wij er in slagen, niet alleen het principe van verkiesbaarheid, maar ook dat van herroepbaarheid in te voeren, het principe van salariëring op het niveau van de gemiddelde arbeider en ook: de vervanging van de parlementaire instituties door arbeidersinstituten, oftewel instituten die zowel wetten aannemen als doorvoeren en controleren.
In welke richting heeft het Sovjet staatsapparaat zich ontwikkeld de laatste jaren? In de richting van vereenvoudiging en kostenverlaging? Van proletarisatie? Nauwere banden aangaand met de werkers in de steden en het dorp? De kloof tussen heersers en onderdanen verkleinend? Hoe staan de zaken ervoor met betrekking tot de introductie van een grotere gelijkheid in de levensomstandigheden, in rechten en plichten? Boeken we vooruitgang op dat terrein? Het mag duidelijk zijn dat geen dezer vragen bevestigend kan worden beantwoord.
Het is uiteraard vanzelfsprekend dat de feitelijke en volledige gelijkheid pas kan worden bereikt als de klassenverschillen zijn afgeschaft. In dit tijdperk van de NEP wordt de taak van het gelijktrekken bemoeilijkt en vertraagd maar niet tenietgedaan. Want voor ons is de NEP geen weg naar het kapitalisme, maar naar het socialisme. Daarom blijft het geleidelijk betrekken van de zwoegende massa’s, tot aan de laatste man, bij het besturen van de staat, de systematische strijd voor hogere kwaliteit onder de NEP een van de meest belangrijke taken van de partij. Dat gevecht kan alleen succesvol zijn op basis van een groeiende industrialisatie van het land en een toename van de leidende rol van het proletariaat in alle takken van de materiële en culturele opbouw. Dit gevecht voor grotere gelijkheid wil niet zeggen dat in de overgangsperiode geschoolde arbeiders, technisch specialisten of docenten, lager betaald moeten worden dan in de burgerlijke landen.
Het is belangrijk om ons bewust te zijn van het feit dat het ambtenarencorps de afgelopen jaren in aantal is gegroeid. Het is zichzelf aan het consolideren, zichzelf boven de gewone bevolking aan het verheffen en zichzelf aan het vermengen met de rijkere elementen in stad en land. De richtlijnen van 1925, die electorale rechten gaven aan ontelbare uitbuitende elementen, waren maar één duidelijke uitdrukking van het feit dat het bureaucratische apparaat, inclusief de hoogste toplaag, zeer gevoelig is voor de schaamteloosheid van de rijke, welvarende elementen in de gemeenschap. Het terugdraaien van deze richtlijnen dankzij de kritiek van de oppositie was eigenlijk een schending van de Sovjet grondrecht. Maar de eerste verkiezingen onder de nieuwe richtlijnen toonden op een aantal plaatsen al aan dat diverse hoge kringen het hernieuwd opgelegde stemverbod probeerden te ontduiken. Helaas is het kwaad al geschied; met de voortdurende relatieve toename van de nieuwe bourgeoisie en de koelakken en hun nauwere verbondenheid met de bureaucratie, met het incorrecte beleid van onze leiding in het algemeen, zijn de koelak en de NEP-man, zelfs zonder electorale rechten, toch in staat om de samenstelling en het beleid van in ieder geval de lagere Sovjetorganen te beïnvloeden, ook al blijven ze zelf achter de schermen.
De doordringing van de Sovjets door de lagere koelak en semi-koelak elementen en de stedelijke bourgeoisie, dat in 1925 begon en gedeeltelijk tot staan werd gebracht door de aanvallen van de oppositie, is een zeer diepgaand politiek proces en dit te negeren of te ontkennen kan de proletarische dictatuur zeer duur komen te staan.
De stedelijke Sovjets, het fundamentele middel om de arbeiders en alle werkenden in het algemeen, bekend te maken met de taken van het staatsbestuur, hebben de laatste jaren al hun werkelijke belang verloren. Dit is de uitdrukking van een ontegenzeggelijke verandering in de verhouding tussen de klassenkrachten, ten nadele van het proletariaat. Dit fenomeen te weerstaan via puur bestuurlijke maatregelen om de Sovjets te doen herleven is ondenkbaar. Dit kan alleen weerstaan worden door een ferm klassenbeleid, een beslissend dreun uit te delen aan de uitbuiters door toenemende activiteit en deelname van het proletariaat in alle instituten en organen van de Sovjet staat zonder enige uitzondering.
De theorie van Molotov, dat we de arbeiders niet meer en dichter bij de staat kunnen betrekken en andersom, omdat onze staat, vanuit zichzelf, al een arbeidersstaat is (Pravda, 13 december 1925) is een van de meest kwaadaardige bureaucratische formules denkbaar. Het is bij voorbaat een vrijbrief voor elke voorstelbare bureaucratische perversheid. Elke kritiek op deze antileninistische theorie van Molotov, die trouwens binnen brede kringen van Sovjetbestuurders stilzwijgende en openlijke sympathie krijgt, wordt onder de huidige leiding afgedaan als een sociaaldemocratische afwijking. Maar een resolute veroordeling van deze en al op haar lijkende theorieën zijn een onmisbare voorwaarde voor een echt gevecht tegen bureaucratische perversiteiten. Zo’n gevecht betekent niet het omvormen van een paar arbeiders tot ambtelijke bestuurders. Het betekent het nauwer betrekken van de arbeiders en armere boeren bij het gehele staatsapparaat in al haar activiteiten.
De huidige officiële strijd tegen het bureaucratisme, dat zich niet baseert op de activiteit van de arbeidersklasse, maar deze probeert te vervangen met de pogingen van het apparaat zelf, levert dan ook geen essentiële resultaten op en kan dat ook nooit gaan opleveren. In veel gevallen promoot ze en versterkt ze slechts het bestaande bureaucratisme.
Ook in het innerlijke leven van de Sovjets kon er de laatste jaren een reeks van reactionaire processen worden waargenomen. De Sovjets hebben steeds minder van doen met de besluitvorming over de fundamentele politieke, economische en culturele vraagstukken. Het worden meer en meer slechts aanhangsels van uitvoerende comités en presidia. Het bestuurswerk is helemaal in de handen van de laatstgenoemden komen te liggen. De discussies in de plenaire zittingen van de Sovjets zijn een schijnvertoning geworden. Tegelijkertijd zijn er minder vaak verkiezingen omdat de zittingsperiodes van de Sovjetorganen zijn verlengd en neemt dus haar onafhankelijkheid ten op zichte van controle door de massa’s toe. En hiermee wordt natuurlijk de invloed van de ambtenarij over beslissingen over allerlei kwesties enorm vergroot.
Het besturen van de belangrijke afdelingen van gemeentelijke taken ligt vaak in de handen van een of twee communisten, die hun eigen experts en stafmedewerkers uitzoeken en daar vaak dan volledig van afhankelijk raken. Er is geen fatsoenlijke scholing voor de leden van de Sovjet. Ze worden niet van onder tot boven bij het werk van de Sovjet betrokken. En vandaar ook de constante stroom klachten over het gebrek aan geschoolde werkers in de Sovjetmachinerie. En vandaar ook weer een verdere verschuiving van de macht naar de ambtenarij.
De verkozen leiders in de belangrijke terreinen van het Sovjetbestuur worden bij het eerste de beste conflict met de voorzitter van de Sovjet verwijderd. En ze worden nog sneller verwijderd als ze in conflict komen met de secretaris van het regionale comité van de partij. Het gevolg hiervan is dat het principe van verkiezingen tot generlei waarde wordt gereduceeerd en verantwoordelijkheid naar de kiezers een wassen neus wordt.
Het is daarom noodzakelijk:
1) een ferm beleid aan te nemen tot een gevecht tegen de ambtenarij en dit gevecht te voeren zoals Lenin het voorstelde, op basis van een echte strijd om de uitbuitende tendensen van de nieuwe bourgeoisie en de koelak in toom te houden, door middel van een constante ontwikkeling van arbeidersdemocratie in de partij, vakbonden en de Sovjets.
2) dat er voor wordt gezorgd dat de slogan om de arbeiders, boerenknecht, keuterboer en middenboer in nauw contact met de staat wordt gebracht, tegen de koelak en de onvoorwaardelijke onderwerping van het staatsapparaat aan de essentiële belangen van de zwoegende massa’s ook wordt uitgevoerd.
3) de klasse activiteit van de arbeiders, knechten en keuter, en middenboeren wordt verhoogd als basis om de Sovjets nieuw leven in te blazen.
4) de stedelijke Sovjets omgevormd worden tot echte organen van proletarische macht en instrumenten om de grote massa van werkende mensen te betrekken bij de taken van het besturen van de socialistische opbouw zodat, niet in woorden, maar in daden, de controle van de stedelijke Sovjets over het werk van de regionale uitvoerende comités en de organen die hieraan ondergeschikt zijn, ook echt wordt gerealiseerd.
5) het verwijderen van verkozen Sovjetbestuurders volledig wordt gestopt, tenzij dit werkelijk absoluut noodzakelijk is, in welk geval de oorzaken bekend dienen worden gemaakt aan de kiezers.
6) we voor elkaar moeten zien te krijgen dat de meest ongeschoolde arbeider en de meest onderontwikkelde boerenmeid er door ervaring van worden overtuigd dat ze bij welk staatsinstituut dan ook aandacht, goede raad en alle mogelijk steun zullen vinden.
De vertraging in het algemene tempo van socialistische ontwikkeling, de groei van de nieuwe bourgeoisie in stad en land, de versterking van de burgerlijke intelligentsia, de toename van bureaucratisme in de staatsorganen, het foute regime in de partij en, hiermee verbonden, de groei van het grootmacht chauvinisme en de geest van nationalisme in zijn algemeenheid, vindt haar meest morbide uitdrukking in de landelijke regionen en republieken. De problemen worden nog verdubbeld door de overblijfselen van prekapitalistische culturen in sommige republieken.
Onder de Nieuwe Economische Politiek neemt de rol van het private kapitaal enorm toe, met name in de industrieel onderontwikkelde gebieden, ver weg van het centrum. Hier zijn de economische organen soms geheel afhankelijk van de private kapitalist. Ze stellen prijzen vast zonder rekening te houden met de werkelijke situatie van de armen en massa van middenboeren. Ze verlagen kunstmatig het loon van boerenknechten. Zonder terughoudendheid wordt het systeem van private en bureaucratische bemiddeling tussen de industrie en de boeren die de grondstoffen aanleveren, uitgebreid. Ze sturen de coöperatieven in de richting van een betere dienstverlening aan de rijkere elementen in de dorpen. Ze negeren de belangen van de meest achtergestelde groep, de veehouders en hun knechten. De vitale taak om een plan van industriële opbouw in landelijke gebieden uit te voeren, met name een plan tot industrialisatie om de hoeveelheid agriculturele grondstoffen op te krikken, wordt volledig op de achtergrond gehouden.
Het bureaucratisme, nog versterkt door de geest van het grootmacht chauvinisme, is er in geslaagd de Sovjet centralisatie om te vormen in een bron van ruzies over de verdeling van de officiële posities onder de nationaliteiten (de Transkaukasische Federatie). Het heeft de verhouding tussen het centrum en de buitengebieden verpest. Bovendien is het een reëel feit dat het belang van het Genootschap van Nationaliteiten tot nul is gereduceerd. Het heeft het bureaucratische toezicht over de autonome republieken zover gedreven, dat de laatsten het recht is ontzegd om disputen over het land tussen de lokale en de Russische bevolking te slechten. Tot de dag van vandaag is dit grootmacht chauvinisme, met name als deze zich uitdrukt via de staatsorganen, de belangrijkste vijand in het nader tot elkaar brengen en de eenheid van de arbeiders van verschillende nationaliteiten.
Werkelijke steun aan de arme plattelandsbevolking, nauwere betrokkenheid tussen de bulk van de middenboeren en de keuterboeren en knechten en de organisatie van de laatsten in een onafhankelijke klasse kracht; dat alles is van bijzonder belang voor de nationale regionen en republieken. Zonder een echte organisatie van de landarbeiders, zonder het creëren van coöperatieven en organisaties voor de armen, lopen we het risico dat we onze onderontwikkelde oostelijke plattelandsgebieden in de traditionele omstandigheden van slavernij achterlaten en dat onze partijgroeperingen in deze regio’s verstoken blijven van de noodzakelijke banden met de werkende bevolking.
De taak van communisten onder de meer onderontwikkelde of ‘juist opgewekte’ nationaliteiten zou het sturen van het proces van nationaal ontwaken in de richting van de Sovjet socialistische kanalen moeten zijn. We moeten de arbeidende massa’s betrekken bij het economische en culturele werk van de opbouw, met name door het promoten van de ontwikkeling van de plaatselijke taal en scholen en de nationalisatie van het Sovjet machinepark.
In regio’s waar frictie bestaat met andere nationaliteiten of nationale minderheden, krijgt het nationalisme dat vergezeld gaat van de groei van burgerlijke elementen, een bijzonder scherp en agressief karakter. In deze omstandigheden gaat de nationalisatie van het lokale apparaat ten koste van de nationale minderheden. Kwesties over grenzen worden een bron van nationale onvrede. De atmosfeer in het partij, Sovjet en vakbondswerk wordt vergiftigd door het nationalisme.
Oekraïnisatie, Turkificatie, etc., kan alleen goed verlopen als slechte gewoontes van bureaucratisme en ‘grootmacht gedachten’ in de instituten en organen van de Unie worden overwonnen. Het kan alleen goed verlopen als de leidende rol van het proletariaat in de nationale republieken gehandhaafd blijft, als we onze steun zoeken bij de onderste lagen van de plattelandsbevolking en een constant en onvermurwbaar gevecht leveren tegen de koelak en chauvinisme.
Deze kwesties zijn van uitzonderlijk belang in de industriële centra, zoals in de Donbas of Bakoe, waar de proletarische bevolking over het algemeen van een andere nationaliteit is als die op het omringende platteland. In deze gevallen vereist een correcte politiek, een cultureel verbond tussen stad en platteland;
1) een buitengewoon attente en, in zijn algemeenheid, een broederlijke houding van de stad tegenover de materiële en geestelijke benodigdheden op het platteland waar de nationaliteit verschilt;
2) een vastberaden verzet tegen elke burgerlijke poging een wig te drijven tussen de stad en het platteland, of dit nu gebeurt door het kweken van bureaucratische arrogantie tegenover de plattelandsdistricten, of reactionaire koelak afgunst in de stad.
Ons bureaucratische regime heeft de feitelijke uitvoering van haar oppervlakkige show van nationalisatie overgeleverd in de handen van ambtenaren, specialisten en kleinburgerlijke docenten, die met ontelbare sociale banden zijn verbonden aan de toplagen in de steden en het platteland. Ze passen hun beleid in de richting van de belangen van deze toplagen aan. Dit stoot de plaatselijke armen af van de partij en de Sovjetmacht en werpt ze in de tentakels van de commerciële bourgeoisie, de uitbuiters, de reactionaire priesters en de feodale-patriarchale elementen. Tegelijkertijd worden door ons bureaucratische regime de gewone communistische elementen onder de nationaliteiten weggedrukt, vaak beschuldigd van het afwijken van de partijlijn en vervolgd op elke mogelijke wijze. Dit is bijvoorbeeld gebeurd met de belangrijke groep van Georgische oudbolsjewieken, die bij de Stalin groep in onmin kwamen en scherp werden verdedigd door Lenin in de laatste periode van zijn leven.
De verheffing van de arbeidende massa’s van de nationale republieken en territoria, mogelijk gemaakt door de oktoberrevolutie, is de reden waarom deze groeperingen verlangen naar directe en onafhankelijke participatie in het praktische opbouwwerk. Ons bureaucratische regime probeert deze pogingen te verlammen door de massa’s bang te maken met beschuldigingen van plaatselijk nationalisme.
Het Twaalfde Congres van onze partij onderkende de noodzaak van een gevecht tegen de overblijfselen van grootmachtchauvinisme, tegen de economische en culturele ongelijkheid van de nationaliteiten binnen de Sovjet Unie, tegen de overblijfselen van een hele reeks van volken die gebukt gingen onder het zware juk van nationale onderdrukking. De Vierde Conferentie (1923) met verantwoordelijke leiders uit de nationale republieken en regionen, verklaarden dat het een van de basistaken van de partij was; het oprichten en ontwikkelen van communistische organisaties onder de proletarische en semi-proletarische elementen uit de plaatselijke bevolking in de nationale republieken en regionen. De conferentie besloot unaniem dat communisten die vanuit het centrum naar de onderontwikkelde gebieden gingen, ‘zich niet de rol van pedagogen of verplegers aan moesten meten, maar die van helpers’ [Lenin]. De laatste jaren is de ontwikkeling precies tegenovergesteld verlopen. De hoofden van het nationale partij apparaat, aangesteld door het secretariaat van het Centraal Comité, hebben onder zichzelf uitgemaakt feitelijk alle besluiten te nemen aangaande partij en Sovjet vraagstukken. Ze verdringen de actieve arbeiders van diverse nationaliteit als zijnde tweederangs communisten, die er alleen bij mogen zitten als formele vertegenwoordigers (van de Krim, Kazakstan, Turkmenistan, het berggebied van de Noord Kaukasus, etc.). Een kunstmatige scheiding van bovenaf van alle lokale partijwerkers in rechts en links wordt systematisch doorgevoerd, zodat de door het centrum aangestelde secretarissen volledig arbitrair beide groepen kunnen commanderen.
Op het gebied van ons beleid ten aanzien van de nationaliteiten is het noodzakelijk, net zoals op andere terreinen, terug te keren naar de leninistische positie:
1) Het uitvoeren van een onvergelijkelijk meer systematische, meer consistente, meer doortastende inspanning om de nationale scheidslijnen tussen arbeiders van verschillende nationaliteiten te overkomen, met name door een begripvolle houding tegenover nieuw gearriveerde arbeiders van nationale minderheden, door hun vaardigheden te verhogen en hun levens en culturele omstandigheden te verbeteren en goed te onthouden, dat de echte hefboom om het onderontwikkelde achterland op te heffen naar het Sovjetbouwwerk, het creëren en ontwikkelen van proletarische kaders onder de lokale bevolking is.
2) Het economische vijfjarenplan te heroverwegen met het oogmerk het tempo van industrialisatie in de periferie te versnellen en een 15-jarenplan uit te werken waarin de belangen van de nationale republieken en regionen worden meegewogen; door ons staatsaankoopbeleid aan te passen aan de ontwikkeling van speciale gewassen voor de arme en middenboeren (katoen in Centraal Azië, tabak in de Krim, Abgazië, enz.). Het coöperatieve kredietbeleid en ook het beleid van bouwgrondontwikkeling (in Centraal Azië, Transkaukasië, enz.) zou strikt volgens klassenlijnen moeten worden uitgevoerd, samenvallend met de fundamentele taken van socialistische opbouw; door meer aandacht te geven aan de ontwikkeling van veehoudende coöperatieven, door de industrialisatie van de productie van agriculturele grondstoffen op dusdanige wijze, dat rekening wordt gehouden met de plaatselijke omstandigheden. Door ons beleid rondom volksverhuizingen in strikte overeenstemming te brengen met het belang van een correct beleid omtrent het nationale vraagstuk.
3) Gewetensvol het beleid van nationalisatie van de Sovjet, maar ook partij, vakbonds en coöperatieve machineparken door te voeren, met een juist inwegen van de klasse en internationale verhoudingen; een echt gevecht te voeren tegen afwijkingen in het kolonisatie beleid in de activiteiten van de staats,, coöperatieve en andere organen; de bureaucratische bemiddeling te reduceren tussen het centrum en de periferie; de ervaringen te bestuderen van de Transkaukasische Federatie vanuit het oogpunt van ondersteuning, of juist het gebrek hieraan, in de industrialisatie en culturele ontwikkeling van de desbetreffende nationaliteiten.
4) Systematisch elk obstakel te verwijderen om de hoogst mogelijke verbondenheid en samenwerking van de verschillende nationaliteiten in de Sovjet Unie te bewerkstelligen, op basis van socialistische opbouw en de internationale revolutie; een vastberaden gevecht leveren tegen het mechanisch opdringen van het Groot-Russisch als dominante taal aan de arbeiders en boeren van andere nationaliteiten. Op dit gebied moeten de arbeidende massa’s volledige vrijheid van keuze hebben. De echte rechten van iedere nationale minderheid binnen de grenzen van iedere nationale republiek of regio moeten worden gegarandeerd. In al dit werk moet speciale aandacht gegeven worden aan de speciale omstandigheden die zijn ontstaan tussen de voormalig onderdrukte nationaliteiten en die nationaliteiten die hen onderdrukten.
5) De democratie binnen de partij moet consistent worden uitgevoerd in alle normale republieken en regionen; een commanderende houding tegenover niet-russen moet absoluut afgewezen worden, evenals het van bovenaf aanstellen of verplaatsen. Een afwijzen van de arbitraire verdeling van niet-Russische communisten in een links en rechts blok; een meer nadrukkelijk promoten en trainen van lokale proletarische, semi-proletarische, agriculturele en (anti koelak) boeren en arbeiders.
6) Een afwijzen van de Oestrialov tendens en alle andere vormen van grootmacht-ideologie, met name binnen de centrale commissariaten en het staatsapparaat in het algemeen. Een opvoedkundig gevecht tegen plaatselijk nationalisme op basis van een duidelijk en samenhangend klasse beleid ten aanzien van het nationale vraagstuk.
7) De omvorming van de Sovjet voor Nationaliteiten in een werkelijk functionerend orgaan, verbonden met het leven van de nationale republieken en regio’s en echt in staat haar belangen te verdedigen.
8) Voldoende aandacht voor het nationale vraagstuk in het werk van de vakbonden en voor de taak om proletarische kaders uit diverse nationaliteiten op te leiden. De werkzaamheden in deze vakbonden dienen in de plaatselijke taal te worden verricht en de belangen van alle nationaliteiten en nationale minderheden moeten beschermd worden.
9) Geen franchise mogelijkheden voor uitbuitende elementen.
10) De vijfde conferentie over nationale vraagstukken dient te worden uitgeschreven en te worden georganiseerd op basis van een echte vertegenwoordiging vanuit de achterban.
11) De publicatie in de media van de brief van Lenin over het Nationale Vraagstuk, deze bevat namelijk kritiek op het beleid van Stalin in deze.
Geen enkele partij heeft in de wereldgeschiedenis zo’n reusachtige overwinning geboekt als de onze, die nu al 10 jaar lang aan het hoofd van het proletariaat staat en haar dictatuur heeft gerealiseerd. De Russische Communistische Partij is het fundamentele instrument van de proletarische revolutie. De Russische Communistische Partij is de leidende partij van de Komintern. Geen enkele andere partij heeft ooit zo’n zware historische verantwoordelijkheid gedragen als de onze. Maar juist om deze reden en vanwege de macht die zij bezit, zou onze partij zonder angst haar eigen fouten moeten bekritiseren. Ze zou haar donkere zijde juist in de openbaarheid moeten brengen en duidelijk aangeven welke gevaren er schuilen in een feitelijke terugval, zodat er tijdelijk maatregelen hiertegen kunnen worden getroffen. Zo was het indertijd onder Lenin, die ons altijd waarschuwde voor het gevaar van degeneratie in een partij van stomkoppen (Lenin; Deel 17, p.112). Door het navolgende beeld van onze partij te schetsen, met al haar minpunten, spreken wij, als oppositie, de ferme hoop uit dat met een echt Leninistisch beleid de partij haar zwakheden zal overwinnen en opgewassen zal zijn tot haar historische taak.
1) De sociale samenstelling van onze partij is continue achteruitgegaan in de afgelopen jaren. Op 1 januari 1927 bestond onze partij, in afgeronde aantallen, uit:
430.000 arbeiders feitelijk werkzaam in industrie en transport;
15.700 agriculturele arbeiders;
303.000 boeren (waarvan inmiddels de helft ambtenaren zijn geworden);
462.000 ambtenaren (waarvan de helft vroeger arbeiders waren).
En dus had onze partij op 1 januari maar eenderde aan arbeiders uit de bedrijven als lid (feitelijk maar 31%) en tweederde (69%) uit boeren, a