Herbert Marcuse
De eendimensionale mens
Hoofdstuk 6


VI. Van negatief naar positief denken:
technologische rationaliteit en de logica van de overheersing

Ondanks alle verandering is in de sociale werkelijkheid de overheersing van de ene mens door de andere nog steeds het historisch continuüm, dat de schakel vormt tussen de pretechnologische en de technologische rede. Toch wijzigt de samenleving die de technologische omvorming van de natuur ontwerpt en uitvoert, de basis van de overheersing door geleidelijk de persoonlijke afhankelijkheid (de slaaf van de meester, de horige van de huiseigenaar, de leenman van de leenheer enz.) te vervangen door een afhankelijkheid van de ‘objectieve orde van de dingen’ (van economische wetten, de markt enz.). Natuurlijk is de ‘objectieve orde van de dingen’ zelf het resultaat van overheersing, maar toch blijft het waar dat de overheersing nu een hogere rationaliteit in het leven roept: de rationaliteit van een samenleving die haar hiërarchische structuur handhaaft, terwijl ze steeds doeltreffender de natuurlijke en mentale hulpbronnen exploiteert en de weldaden van deze exploitatie op een steeds grotere schaal verdeelt. De grenzen van deze rationaliteit en de duistere kracht ervan komen naar voren in de voortschrijdende knechting van de mens door een productieapparaat, dat de strijd om het bestaan doet voortduren en uitbreidt tot een algehele internationale strijd die de levens van hen die dit apparaat opbouwen en gebruiken, ruïneert.

In dit stadium wordt het duidelijk dat er iets mis moet zijn met de redelijkheid van het systeem zelf. Wat er mis is, is de wijze waarop de mensen hun maatschappelijke arbeid hebben georganiseerd. Tegenwoordig wordt daar niet meer naar gekeken, nu aan de éne kant de grote ondernemers zelf bereid zijn de weldaden van de vrije onderneming en de ‘vrije’ concurrentie op te geven voor de weldaden van regeringsorders en regelingen, terwijl aan de andere kant de socialistische opbouw te werk gaat met een steeds groter wordende overheersing. We kunnen dit probleem echter niet zó laten rusten. De verkeerde organisatie van de maatschappij vraagt om een nadere verklaring met het oog op de situatie in de hoogindustriële samenleving, waarin de integratie van de eens negatieve en transcenderende maatschappelijke krachten in het bestaande systeem een nieuwe maatschappelijke structuur schijnt te scheppen. Deze omvorming van de negatieve oppositie in een positieve drukt ons op het probleem: de ‘verkeerde’ organisatie, die op interne gronden totalitair wordt, schakelt de alternatieven uit. Het is natuurlijk heel normaal en het vraagt geen diepgaande verklaring, dat men de tastbare weldaden van het systeem de moeite van het verdedigen waard acht — speciaal met het oog op de afstotende kracht van het huidige communisme, dat zich als het historisch alternatief voordoet. Maar het is alleen maar normaal voor een denk- en gedragswijze die niet bereid en misschien zelfs niet eens in staat is in te zien wat er gebeurt en waarom dat gebeurt, een denk- en gedragswijze die immuun is voor iedere rationaliteit, behalve voor de gevestigde. Voor zover het denken en het gedrag kloppen met de gegeven werkelijkheid, drukken ze een onecht bewustzijn uit, dat een antwoord is op en een bijdrage is tot het in stand houden van een onechte orde van feiten. En dit onechte bewustzijn heeft vorm gekregen in het huidige technische apparaat, dat het op zijn beurt weer reproduceert.

Wij leven en sterven op een rationele en productieve wijze. We weten dat vernietiging de prijs voor vooruitgang is zoals de dood de prijs is voor het leven, dat zelfverloochening en zware arbeid de noodzakelijke voorwaarden zijn voor voldoening en vreugde, dat de zaak door moet blijven draaien en dat de alternatieven utopieën zijn. Deze ideologie behoort tot het gevestigde maatschappelijke apparaat; zij is een noodzakelijke voorwaarde voor het blijven functioneren ervan en maakt deel uit van zijn rationaliteit.

Het apparaat schiet echter zijn eigen doel voorbij, tenminste, als dit doel erin bestaat een menswaardig bestaan op basis van een vermenselijkte natuur te scheppen. En als dat niet het doel is, is de rationaliteit ervan nog verdachter. Maar ook logischer, want van meet af aan ligt het negatieve in het positieve, het onmenselijke in de vermenselijking, slavernij in bevrijding. Deze dynamiek is geen hersenschim en komt voort uit de werkelijkheid, maar dan uit een werkelijkheid waarin de wetenschappelijke geest een beslissend aandeel heeft in het aan elkaar koppelen van de theoretische en praktische rede.

De samenleving reproduceerde zichzelf in een steeds groter wordend technisch geheel van dingen en betrekkingen dat het technisch benutten van de mens in zich sloot — m.a.w. de strijd om het bestaan en de uitbuiting van mens en natuur werden steeds meer wetenschappelijk en rationeel. De dubbele betekenis van ‘rationalisatie’ is in deze context veelzeggend. Een wetenschappelijk opgezette bedrijfsvoering en een wetenschappelijk opgezette arbeidsverdeling deed de productiviteit van de economische, politieke en culturele onderneming met sprongen omhoog gaan. Gevolg: de hogere levensstandaard. Tezelfdertijd en op dezelfde grondslag bracht deze rationele onderneming een geestes- en gedragspatroon voort, waardoor zelfs de meest destructieve en onderdrukkende karaktertrekken van de onderneming werden gerechtvaardigd en zelfs schoongewassen. Wetenschappelijk-technische rationaliteit en manipulatie zijn tot nieuwe vormen van sociale controle samengesmolten. Kan men zich tevreden stellen met de veronderstelling dat dit onwetenschappelijk resultaat het gevolg is van een bepaalde maatschappelijke toepassing van de wetenschap? Ik ben van mening dat de algemene richting waarin de wetenschap tenslotte toegepast werd, inherent was aan de zuivere wetenschap, zelfs toen men zich geen praktische doeleinden voor ogen stelde, en dat het punt waarop de theoretische Rede sociale praxis wordt, aangewezen kan worden. Bij de poging hiertoe zal ik weer even in het kort de methodologische oorsprong van de nieuwe rationaliteit in herinnering brengen en haar stellen tegenover de trekken van het pretechnologische model, dat in het voorgaande hoofdstuk besproken is.

De kwantificering van de natuur die leidde tot een uitleg ervan uitgedrukt in mathematische structuren, bracht een scheiding teweeg tussen de werkelijkheid en alle inherente doelstellingen en bijgevolg tussen het ware en het goede, wetenschap en ethiek. Het doet er niet toe, hoe de wetenschap nu de objectiviteit van de natuur en de onderlinge betrekkingen tussen de delen ervan moge definiëren, zij kan dit alles wetenschappelijk gezien niet beschouwen onder het oogmerk van ‘doeloorzaken’. En het doet er niet toe, hoe constitutief de rol van het subject als punt van observatie, meting en berekening is, voor dit subject kan deze rol wetenschappelijk gezien niet bestaan in ethisch, esthetisch of politiek handelen. De spanning tussen de Rede aan de éne kant en aan de andere kant de behoeften en noden van het betreffende volk (dat vaak het object, maar zelden het subject van de Rede is geweest), is van het begin af aan in het filosofisch en wetenschappelijk denken aanwezig geweest. De ‘natuur van de dingen’, met inbegrip van die der samenleving, werd zodanig gedefinieerd, dat daarmee verdringing en zelfs onderdrukking als volmaakt redelijk werden gerechtvaardigd. Voor de ware kennis en rede is het nodig dat men heerst over — zo niet bevrijd is van — de zintuigen. De eenheid van Logos en Eros leidde reeds bij Plato tot de suprematie van de Logos; bij Aristoteles is de betrekking tussen de godheid en de wereld, die door hem bewogen wordt, slechts in analoge zin ‘erotisch’. Daarna wordt de wisselvallige ontologische schakel tussen Logos en Eros verbroken en duikt de wetenschappelijke rationaliteit op als wezenlijk neutraal. Waar de natuur (met inbegrip van de mens) naar mag streven, is slechts in de vorm van algemene bewegingswetten — fysisch, chemisch of biologisch — wetenschappelijk gezien rationeel.

Buiten deze rationaliteit leeft men in een wereld van waarden; en waarden die verwijderd worden uit de objectieve werkelijkheid, worden subjectief. De enige weg om er nog énige abstracte en onschadelijke geldigheid voor te redden schijnt een metafysische bekrachtiging te zijn (goddelijke wet en natuurwet). Maar een dergelijke bekrachtiging kan niet getoetst worden en is dus niet werkelijk objectief. Waarden mogen dan wel in hoger aanzien staan (moreel en geestelijk), maar ze zijn niet werkelijk en tellen dus minder mee in de werkelijke handel en wandel — en wel des te minder, naargelang ze boven de werkelijkheid zijn verheven.

Dezelfde ont-werkelijking tast alle ideeën aan die uit de aard van hun zaak niet door een wetenschappelijke methode getoetst kunnen worden. Het doet er niet toe, hoezeer ze erkend, geëerd en geheiligd mogen zijn, uit zichzelf lijden ze eronder dat ze niet-objectief zijn. Maar juist hun gebrek aan objectiviteit maakt hen tot factoren van maatschappelijke samenhang. Humanitaire, religieuze en morele ideeën zijn alleen maar ‘ideaal’; ze verstoren de bestaande leefwijze niet al te zeer en verliezen hun geldigheid niet door het feit dat ze worden weersproken door een gedrag, dat door de dagelijkse dwang van zaken doen en politiek bedrijven wordt opgelegd.

Als het Goede en het Schone, Vrede en Gerechtigheid noch uit ontologische noch uit wetenschappelijk-rationele condities afgeleid kunnen worden, kunnen ze logisch gezien geen aanspraak maken op universele geldigheid en verwerkelijking. In de zin van de wetenschappelijke rede blijven ze een kwestie van smaak, en geen opleving van een of ander soort aristotelische of thomistische filosofie kan de situatie redden, want a priori wordt deze door de wetenschappelijke rede weerlegd. Het niet-wetenschappelijk karakter van deze ideeën verzwakt op een noodlottige wijze de oppositie tegen de gevestigde werkelijkheid; de ideeën worden louter idealen en hun concrete kritische inhoud vervliegt in de ethische of metafysische sfeer.

Paradoxaal genoeg echter wordt de objectieve wereld, die nu alleen nog maar met kwantificeerbare kwaliteiten toegerust is, voor haar objectiviteit steeds meer afhankelijk van het subject. Dit langdurige proces begint met de algebraïsering van de meetkunde, waarbij ‘zichtbare’ meetkundige figuren door zuiver mentale operaties worden vervangen. Het vindt zijn extreme vorm in sommige opvattingen van de huidige filosofie van de natuurwetenschappen, volgens welke alle materie van de natuurwetenschappen de neiging heeft zich op te lossen in mathematische of logische betrekkingen. Zelfs het idee van een objectieve substantie, die tegenover het subject staat, schijnt af te brokkelen. Vanuit zeer uiteenlopende richtingen komen wetenschapsmensen en wetenschapsfilosofen tot gelijkluidende hypothesen met betrekking tot het uitsluiten van bepaalde soorten entiteiten.

De fysica bv. ‘meet niet de objectieve kwaliteiten van de uiterlijke en materiële wereld — deze zijn slechts de resultaten die door het voltrekken van zulke operaties verkregen worden’.[1] Objecten blijven slechts voortbestaan als ‘voor de hand liggende bemiddelaars’, als verouderde ‘culturele afzettingen’.[2] De dichtheid en de ondoorzichtigheid van de dingen vervliegen: de objectieve wereld verliest haar ‘object’-karakter, haar staan tegenover het subject. Hoewel men dit nog niet zo in de zin van de pythagorese-platoonse metafysica interpreteert, schijnt de gemathematiseerde natuur, de wetenschappelijke werkelijkheid de ideële werkelijkheid te zijn.

Dit zijn extreme beweringen en ze worden dan ook afgewezen door de meer conservatieve interpretaties die het standpunt verdedigen, dat de proposities in de moderne fysica nog steeds naar ‘fysische dingen’[3] verwijzen. Maar de fysische dingen blijken ‘fysische gebeurtenissen’ te zijn en dan verwijzen de proposities naar (en alleen naar) attributen en betrekkingen, die de verscheidene soorten fysische dingen en processen kenmerken .[4] Max Born zegt:

‘... de relativiteitstheorie ... heeft nooit de poging, aan materie eigenschappen toe te schrijven, opgegeven ...’ Maar ‘vaak is een meetbare grootheid niet een eigenschap van een ding, maar een eigenschap van zijn betrekking tot andere dingen ... De meeste metingen in de fysica hebben niet direct te maken met de dingen die ons interesseren, maar met een soort projectie, dit woord in de ruimst mogelijke zin genomen’.[5]

En W. Heisenberg:

‘Wat wij mathematisch vastleggen, is slechts voor een klein deel een “objectief feit”, voor het grootste deel een overzicht van mogelijkheden’.[6]

Nu kunnen ‘gebeurtenissen’, ‘betrekkingen’, ‘projecties’ en ‘mogelijkheden’ slechts voor een subjéct objectieve betekenis hebben — niet alleen met het oog op observeerbaarheid en meetbaarheid, maar juist met het oog op de structuur van de gebeurtenis of betrekking. M.a.w. het hierbij betrokken subject vormt een constitutief element — d.w.z. het is een mogelijk subject, voor wie bepaalde data begrijpbaar zouden moeten of kunnen zijn als gebeurtenis of betrekking. Als dit het geval is, zou Reichenbachs bewering nog steeds hout snijden: nl. dat in de fysica de proposities geformuleerd kunnen worden zonder verwijzing naar een feitelijke waarnemer en dat de ‘storing, door de observatie veroorzaakt’ niet aan de menselijke waarnemer, maar aan het instrument als ‘fysisch ding’ te wijten is.[7] We mogen natuurlijk wel aannemen dat de vergelijkingen die in de mathematische fysica opgesteld zijn, de feitelijke constellatie van de atomen, d.w.z. de objectieve structuur van de materie uitdrukken (formuleren). Afgezien van enige waarneming en meting ‘van buiten af’ kan subject A B ‘insluiten’, ‘voorafgaan’ aan B, B ‘tot gevolg hebben’; B kan ‘onder’ C vallen, ‘groter dan’ C zijn enz. — het zou nog steeds waar zijn dat deze betrekkingen een plaatsbepaling, een onderscheid en een identiteit in het verschil van A, B en C impliceren. Zo impliceren zij het vermogen in het verschil identiek te zijn, op een bepaalde manier betrokken te zijn op..., voor een andere betrekking resistent te zijn enz. Alleen dit vermogen zou in de materie zelf liggen; dan zou de materie zelf, objectief gezien, tot de structuur van de geest behoren — een interpretatie die een duidelijk idealistisch element bevat:

‘... de dingen van de levenloze natuur ... integreren de vergelijkingen, waarvan ze niets weten, zonder aarzelen en foutloos, door hun loutere zijn. De natuur is niet subjectief geestelijk: ze denkt niet mathematisch. Maar ze is objectief geestelijk; ze kan mathematisch gedacht worden’.[8]

Karl Popper[9] geeft een minder idealistische interpretatie, waarin wordt gesteld dat in haar historische ontwikkeling de natuurwetenschap verschillende lagen van één en dezelfde objectieve werkelijkheid ontdekt en omschrijft. In dit proces worden de in de geschiedenis overwonnen begrippen geschrapt en wordt de intentie ervan in de volgende begrippen geïntegreerd — een interpretatie die een vooruitgang naar de werkelijke kern van de werkelijkheid, d.w.z. de absolute waarheid schijnt te impliceren. Anders zou de werkelijkheid een ui zonder kern blijken te zijn en zou het begrip ‘wetenschappelijke waarheid’ zélf op het spel gezet worden.

Ik suggereer niet dat de filosofie van de moderne fysica de werkelijkheid van de buitenwereld ontkent of zelfs maar betwijfelt, maar dat ze op een of andere manier haar oordeel over wat de werkelijkheid zelf zou kunnen zijn, opschort of de vraag zelf als zinloos en niet te beantwoorden beschouwt. Als deze opschorting tot methodologisch beginsel verheven wordt, dan heeft ze een tweevoudig gevolg: (a) het versterkt de neiging de theoretische nadruk op het metafysische ‘wat is...?’ (τί έστίν) naar het functionele ‘hoe...?’ te verleggen en (b) het geeft een praktische (hoewel in geen geval absolute) zekerheid, waardoor men zich in de operaties met de materie met een gerust geweten kan onttrekken aan een binding ten opzichte van een of andere substantie buiten de operationele context. M.a.w., theoretisch gezien heeft de omvorming van mens en natuur geen andere objectieve grenzen dan die welke door de brute feitelijkheid van de materie, haar nog steeds niet overwonnen weerstand tegen kennis en controle, worden aangegeven. Naarmate deze opvatting toepasbaar en effectief wordt in de werkelijkheid, wordt deze laatste benaderd als een (hypothetisch) systeem van instrumentaliteiten; het metafysische ‘zijn als zodanig’ wijkt voor het ‘instrument-zijn’. Als deze opvatting eenmaal haar doeltreffendheid heeft bewezen, werkt ze bovendien als een a priori — ze bepaalt de ervaring bij voorbaat, ze ontwerpt in welke richting de omvorming der natuur moet gaan, ze organiseert het geheel. Wij hebben zo-even gezien, dat de huidige filosofie van de natuurwetenschappen met een idealistisch element schijnt te worstelen en in haar extreme formuleringen gevaarlijk dicht bij een idealistisch ‘natuur’-begrip schijnt te komen.

De nieuwe denkwijze zet echter het idealisme weer ‘op zijn voeten’. Hegel vatte de idealistische ontologie als volgt kort samen: als de Rede de gemeenschappelijke noemer van subject en object is, is zij dat als de synthese der tegengestelden. Met dit idee omvatte de ontologie de spanning tussen subject en object; ze was doortrokken van concreetheid. De werkelijkheid van de Rede bestond in het uitdragen van deze spanning in natuur, geschiedenis en filosofie. Zelfs het meest doorgevoerde monistische systeem hield op deze wijze vast aan het idee van een substantie die zich ontvouwt in subject en object — het idee van een antagonistische werkelijkheid. De wetenschappelijke geest heeft dit antagonisme steeds meer afgezwakt. De moderne filosofie van de natuurwetenschappen mag dan wel beginnen met een idee van twee substanties, res cogitans en res extensa — maar naarmate de uitgebreide materie gevat kan worden in wiskundige vergelijkingen die, vertaald in technische termen, deze materie ‘herscheppen’, verliest de res extensa haar karakter van onafhankelijke substantie.

‘De oude indeling van de wereld in een objectieve gang in tijd en ruimte aan de ene kant en de geest waarin deze gang wordt weerspiegeld aan de andere kant, dus het cartesiaanse onderscheid tussen res cogitans en res extensa, is voor ons niet meer geschikt om als uitgangspunt te dienen om de moderne wetenschap te begrijpen’.[10]

De cartesiaanse indeling van de wereld is ook vanuit haar eigen grondslagen aangevallen. Husserl heeft er op gewezen, dat het cartesiaanse Ego in laatste instantie geen echt onafhankelijke substantie was, maar eerder het ‘residu’ of de grens van de kwantificering; het schijnt dat Galileïs opvatting van de wereld als een ‘universele en absoluut zuivere’ res extensa a priori de cartesiaanse opvatting heeft beheerst.[11] In dat geval zou het cartesiaanse dualisme misleidend zijn en zou Descartes’ denkende ego-substantie heel dicht bij de res extensa liggen en vooruitlopen op het wetenschappelijk subject van kwantificeerbare waarneming en meting. Descartes’ dualisme zou reeds zijn eigen ontkenning insluiten; het zou de weg naar het vestigen van een eendimensionale wetenschappelijke wereld waarin de natuur ‘objectief geestelijk’ is, d.w.z. subject is, eerder banen dan blokkeren. En dit subject staat op een heel speciale manier in betrekking tot zijn wereld:

‘... de natuur is onder het teken van de actieve mens geplaatst, van de mens die de techniek ent op de natuur.’[12] De natuurwetenschappen ontwikkelen zich onder invloed van het technologisch a priori waarin de natuur als potentieel instrument, als stof voor controle en ordening wordt gezien. En het begrijpen van de natuur als (hypothetisch) instrument gaat vooraf aan de ontwikkeling van alle bijzondere technische organisatie:

‘De moderne mens neemt het geheel van het Zijn als grondstof voor productie en onderwerpt het geheel van de objectwereld aan de allesomvattende productieorde (Herstellen)’ ‘... het gebruik van de machinerie en het fabriceren van machines is niet de techniek zelf, maar slechts een adequaat instrument voor de verwerkelijking (“Einrichtung”) van het wezen van de techniek in haar objectieve grondstof.’[13]

Het technologisch a priori is een politiek a priori, in zoverre de omvorming van de natuur de omvorming van de mens met zich meebrengt en in zoverre de ‘door de mens gemaakte scheppingen’ uit een maatschappelijk geheel voortkomen en er in terugkeren. Men kan nog steeds volhouden dat de machinerie van de technologische wereld ‘als zodanig’ onverschillig staat tegenover politieke doeleinden; ze kan een samenleving versnellen of afremmen. Een elektronische rekenmachine kan gelijkelijk een kapitalistisch of een socialistisch regiem dienen; een cyclotron kan zowel voor een oorlogspartij als voor een vredespartij een doelmatig werktuig zijn. Deze neutraliteit wordt aangevallen in Marx’ controversiële bewering dat ‘de handmolen een samenleving met feodale heren, de stoommolen een samenleving met industriële kapitalisten oplevert.’[14] En deze bewering wordt meer genuanceerd uitgewerkt in Marx’ theorie zelf: de maatschappelijke productiewijze, niet de techniek is de fundamentele historische factor. Als echter de techniek de universele vorm van de materiële productie wordt, omsluit zij een gehele cultuur; zij ontwerpt een historische totaliteit — een ‘wereld’.

Kunnen we zeggen, dat de evolutie van de wetenschappelijke methode de omvorming van natuurlijke tot technische werkelijkheid in het proces van de industriële beschaving alleen maar ‘weerspiegelt’? Als men de betrekking tussen de wetenschap en de samenleving op deze wijze formuleert, neemt men twee afzonderlijke gebieden en gebeurtenissen aan die elkaar raken, nl. 1) de natuurwetenschap en het natuurwetenschappelijk denken met hun interne begrippen en hun interne waarheid en 2) het gebruik en de toepassing van de natuurwetenschap in de sociale werkelijkheid. M.a.w., hoe nauw de twee ontwikkelingen ook met elkaar verbonden zijn, ze sluiten elkaar niet in en bepalen elkaar niet. Zuivere wetenschap is geen toegepaste wetenschap, zij behoudt haar identiteit en geldigheid, los van het gebruik ervan. Bovendien wordt de voorstelling van de wezenlijke neutraliteit van de natuurwetenschap ook tot de techniek uitgebreid. De machine staat indifferent tegenover het sociale gebruik dat ervan wordt gemaakt, gesteld dat dit gebruik binnen de technische mogelijkheden ervan ligt. Gezien het interne instrumentalistische karakter van de natuurwetenschappelijke methode blijkt deze interpretatie niet adequaat te zijn. Er schijnt een nauwere betrekking te bestaan tussen het natuurwetenschappelijk denken en de toepassing ervan, tussen de wereld van het natuurwetenschappelijk taalgebruik en die van het normale taalgebruik en gedrag — een betrekking waarin beide staan onder dezelfde logica en rationaliteit van de overheersing.

In een paradoxale ontwikkeling hebben de natuurwetenschappelijke pogingen de strenge objectiviteit van de natuur vast te stellen ertoe geleid, dat de natuur steeds meer gedematerialiseerd werd:

‘Het idee van een oneindige natuur die op zich bestaat, dit idee dat wij moeten opgeven, is de mythe van de moderne wetenschap. De wetenschap is begonnen met het vernietigen van de mythe van de Middeleeuwen. En nu dwingt haar eigen consequentheid haar tot het inzicht dat zij louter een andere mythe ervoor in de plaats heeft gesteld.’[15] Het proces dat met het elimineren van onafhankelijke substanties en doeloorzaken begint, leidt er tenslotte toe de objectiviteit naar de ideeënwereld te verleggen. Maar dit is een zeer specifiek tot ‘idee-maken’, waarin het object zichzelf constitueert in een nogal praktische betrekking tot het subject:

‘En wat is materie? In de atoomfysica wordt de materie gedefinieerd door de mogelijke reacties ervan op menselijke experimenten en door de mathematische — d.w.z. intellectuele — wetten waaraan zij gehoorzaamt. We definiëren de materie als een mogelijk hanteerbaar object van de mens.’[16] En als dat het geval is, is de wetenschap op zich technologisch geworden:

‘De pragmatische wetenschap beziet de natuur zoals dat in een technisch tijdperk past.’[17]

Naarmate dit operationalisme in iedere wetenschappelijke onderneming centraal komt te staan, neemt de rationaliteit de vorm aan, waarbij de materie methodisch opgebouwd, geordend en gehanteerd wordt als louter stof voor beheersing, als een middel dat zich voor ieder plan en ieder doel leent — een middel per se, ‘op zich’.

De ‘juiste’ houding tegenover het middel is de technische benadering, de juiste logos de techno-logie die een technologische werkelijkheid ontwerpt en hierop een antwoord is.[18] In deze werkelijkheid is zowel de materie als de wetenschap ‘neutraal’; de objectiviteit vindt noch in zichzelf een telos (doel) noch is ze naar een telos toe gestructureerd. Maar juist het neutrále karakter brengt de objectiviteit in betrekking met een specifiek historisch subject, het bewustzijn nl. dat in de samenleving waardoor en waarvoor deze neutraliteit wordt gevormd, gangbaar is. Dit werkt juist in de abstracties door die de nieuwe rationaliteit vormen — meer als een interne dan als een externe factor. Het zuivere en het toegepaste operationalisme, de theoretische en de praktische rede, de wetenschappelijke en de zakelijke onderneming reduceren de secundaire hoedanigheden daadwerkelijk tot primaire, de kwantificering en abstractie van ‘bepaalde soorten entiteiten’.

Natuurlijk is de rationaliteit van de zuivere wetenschap waardenvrij en legt zich niet vast op praktische doeleinden; ze staat ‘neutraal’ tegenover iedere waarde die van buiten af eraan opgedrongen zou worden. Maar deze neutraliteit is een positieve eigenschap. De wetenschappelijke rationaliteit stuurt aan op een bepaalde maatschappelijke organisatie juist omdat ze de zuivere vorm (of zuivere materie — hier komen de anders tegengestelde termen samen) ontwerpt die praktisch naar alle doeleinden omgebogen kan worden. Formalisering en functionalisering zijn, reeds voor ze hoe dan ook toegepast worden, de ‘zuivere vorm’ van een concrete maatschappelijke praxis. Terwijl de wetenschap de natuur van haar inherente doeleinden bevrijdde en de materie van alle niet-kwantificeerbare kwaliteiten beroofde, bevrijdde de samenleving de mensen van de ‘natuurlijke’ hiërarchie van persoonlijke afhankelijkheid en verbond ze met elkaar in overeenstemming met kwantificeerbare hoedanigheden — nl. als eenheden van abstracte arbeidskracht, berekend in tijdseenheden. ‘Dankzij de rationalisatie van de werkwijzen is het elimineren van de hoedanigheden, het herleiden tot functies uit de wereld van de wetenschap overgeheveld naar de wereld van de dagelijkse ervaring.’[19]

Bestaat er tussen de beide processen van wetenschappelijke en maatschappelijke kwantificering een parallel en een oorzakelijk verband, of is hun samenhang slechts een sociologische interpretatie achteraf? In de voorgaande discussie werd gesteld, dat de nieuwe wetenschappelijke rationaliteit op zich, juist in haar abstractheid en zuiverheid, operationeel was in zoverre ze onder een instrumentalistische horizon tot ontwikkeling was gekomen. Waarneming en experiment, de methodische coördinatie en ordening van de gegevens, proposities en conclusies vinden nooit plaats in een niet-gestructureerde, neutrale en theoretische ruimte. Het ontwerp van het kennen brengt operaties op objecten of abstracties van objecten met zich mee en dit grijpt plaats in een gegeven wereld van spreken en handelen. De wetenschap neemt waar, berekent en theoretiseert vanuit een positie in deze wereld. De sterren die Galilei waarnam, waren dezelfde als in de klassieke oudheid, maar de andere wereld van spreken en handelen, kortom, het verschil in sociale werkelijkheid opende de nieuwe richting en reikwijdte van de waarneming evenals de mogelijkheden voor het ordenen van de waargenomen gegevens. Ik laat hier de historische betrekking tussen wetenschappelijke en maatschappelijke rationaliteit in het begin van het moderne tijdperk buiten beschouwing. Ik stel mij ten doel hier het interne instrumentalistische karakter van deze wetenschappelijke rationaliteit te bewijzen, krachtens welke ze a priori technologie is en het a priori van een bepaalde technologie — nl. de technologie in de vorm van sociale controle en overheersing.

Voor zover het moderne wetenschappelijk denken zuiver is, ontwerpt het geen bepaalde praktische doeleinden of bepaalde overheersingsvormen. Er bestaat echter niet zoiets als overheersing op zich. Naar gelang de theorie verder gaat, abstraheert zij van of verwerpt zij een feitelijke teleologische context: die van de gegeven, concrete wereld van spreken en handelen. Binnen deze wereld zelf vindt het wetenschappelijk ontwerp al dan niet plaats, begrijpt de theorie al dan niet de mogelijke alternatieven, gooien de hypothesen daaruit de vastgestelde werkelijkheid omver of breiden ze uit.

De beginselen der moderne wetenschap waren a priori zodanig gestructureerd, dat ze als begripsmatige hulpmiddelen dienst konden doen voor een wereld van zich automatisch voltrekkende, productieve controle; het theoretisch operationalisme ging beantwoorden aan het praktisch operationalisme. De wetenschappelijke methode die leidde tot steeds doelmatiger beheersing van de natuur, voorzag zodoende tenslotte in de pure begrippen zowel als in de instrumentaliteiten voor de steeds doelmatiger heerschappij van de mens over de mens via de beheersing van de natuur. Hoewel de theoretische rede zuiver en neutraal bleef, trad ze in dienst van de praktische rede. De fusie bleek voor beide vruchtbaar te zijn. Heden ten dage bestendigt de overheersing zichzelf en breidt zich uit, niet alleen via de technologie maar als technologie en deze laatste geeft aan de expansieve politieke macht, die alle cultuurlagen in zich opneemt, de grote legitimatie. In deze wereld levert de technologie eveneens de grote rationalisatie van de onvrijheid van de mens en bewijst ze de ‘technische’ onmogelijkheid autonoom te zijn, haar eigen leven te bepalen. Want deze onvrijheid doet zich noch als irrationeel noch als politiek voor, maar veeleer als een onderwerping aan het technisch apparaat dat het leven gerieflijker maakt en de arbeidsproductiviteit doet stijgen. Op deze wijze biedt de technologische rationaliteit veeleer bescherming aan de legitimatie van de overheersing dan dat ze deze te niet doet en de instrumentalistische horizon van de rede loopt uit op een rationeel totalitaire samenleving:

‘Een autocratische filosofie van de techniek zou men die filosofie kunnen noemen, die het technisch geheel ziet als een plaats waar men de machines gebruikt om macht te verkrijgen. De machine is slechts een middel; het doel is de overmeestering van de natuur, het dienstbaar maken van de natuurkrachten door een allereerste onderwerping: de machine is een slaaf die dient om andere slaven te maken.

Een dergelijk streven naar heerschappij en onderwerping kan samengaan met een zoeken naar vrijheid voor de mens. Maar het is moeilijk zich te bevrijden door de slavernij over te brengen op andere wezens: mensen, dieren of machines; te heersen over een groot aantal machines dat de gehele wereld tot slaaf maakt, heet nog steeds heersen en ieder heersen veronderstelt het aanvaarden van schema’s van onderwerping.’[20]

De nooit eindigende dynamiek van de technische vooruitgang is doordrenkt van politieke inhoud en de Logos van de techniek is tot de Logos van de voortgezette slavernij gemaakt. De bevrijdende kracht van de technologie (het tot instrument maken van de dingen) wordt omgezet in een belemmering van de bevrijding: in de instrumentalisering van de mens.

Deze interpretatie zou het wetenschappelijk ontwerp (methode en theorie), voor het op welke manier dan ook toegepast en gebruikt zou worden, binden aan een bepaald maatschappelijk ontwerp en zou de band juist zien in de innerlijke vorm van de wetenschappelijke rationaliteit, d.w.z. in het functionele karakter van haar begrippen. M.a.w., de wetenschappelijke wereld (d.w.z. niet de afzonderlijke proposities omtrent de structuur van de materie, van de energie, de betrekking daartussen enz., maar de voorstelling van de natuur als kwantificeerbare materie waardoor de hypothetische benadering van de objectiviteit en de wiskundig-logische uitdrukking hiervan zich laat leiden) deze wereld zou de horizon uitmaken van een concrete maatschappelijke praxis die bewaard zou blijven in de ontwikkeling van het wetenschappelijk ontwerp.

Maar zelfs als we het intern instrumentalisme van de wetenschappelijke rationaliteit toegeven, dan zou dit nog geen grondslag vormen voor de sociologische geldigheid van het wetenschappelijk ontwerp. Aangenomen dat bij het vormen van de meest abstracte wetenschappelijke begrippen de onderlinge betrekking tussen subject en object in een gegeven wereld van spreken en handelen nog steeds meespeelt, dan kan de schakel tussen de theoretische en de praktische rede nog op zeer verschillende manieren opgevat worden.

Een dergelijke afwijkende interpretatie biedt ons Jean Piaget in zijn ‘genetische epistemologie’. Piaget interpreteert het vormen van wetenschappelijke begrippen in de zin van verschillende abstraheringen uit een algemene onderlinge betrekking tussen subject en object. Abstractie komt noch vanuit het loutere object voort, zodat het subject slechts zou functioneren als het neutrale punt van waarneming en meting, noch vanuit het subject als drager van de zuivere cognitieve Rede. Piaget maakt een onderscheid tussen het kenproces in de wiskunde en in de natuurkunde. Het eerste is abstrahering ‘à l’intérieur de l’action comme telle’:

‘In tegenstelling tot wat men vaak zegt, zijn de wiskundige entiteiten niet het resultaat van een abstrahering die vanuit de objecten geschiedt, maar veeleer van een abstrahering die in het hart van de handelingen als zodanig plaats grijpt. Verzamelen, ordenen, verplaatsen enz. zijn meer algemene handelingen dan denken, pousseren enz., omdat zij betrekking hebben op de coördinatie zelf van al de afzonderlijke handelingen en in elk hiervan optreden als coördinerende factor ...’[21]

Mathematische proposities drukken op deze wijze ‘une accommodation générale à l’objet’ uit — dit in tegenstelling tot de afzonderlijke aanpassingen die de echte proposities in de fysica kenmerken. Logica en mathematische logica zijn ‘une action sur l’objet quelconque, c’est-à-dire une action accommodée de façon générale’[22]; en deze ‘action’ is algemeen geldig in zoverre dat ‘deze abstractie of differentiatie zich uitstrekt tot het centrum van de erfelijke coördinaties, omdat de coördinerende mechanismen van de handeling in oorsprong altijd te maken hebben met coördinaties die door reflexen en instincten geregeld worden.’[23]

In de fysica gaat het abstraheren uit van het object, maar is te danken aan bepaalde handelingen van de kant van het subject; de abstractie neemt dus noodzakelijkerwijs een logisch-mathematische vorm aan omdat ‘afzonderlijke handelingen slechts dan kennis kunnen voortbrengen als zij onderling gecoördineerd zijn en als deze coördinatie uit haar eigen aard logisch-mathematisch is.’[24]

Het abstraheren in de fysica gaat noodzakelijkerwijs terug op het logisch-mathematisch abstraheren en dit laatste is, als zuivere coördinatie, de algemene vorm van handelen — ‘actie als zodanig’ (‘l’action comme telle’). En deze coördinatie constitueert objectiviteit omdat het aan erfelijke structuren, ‘geregeld door reflexen en instincten’, gebonden blijft.

Piagets interpretatie erkent het intern praktisch karakter van de theoretische rede, maar leidt dit af van een algemene handelingsstructuur die in laatste instantie een erfelijke en biologische structuur is. De wetenschappelijke methode zou uiteindelijk berusten op een biologische grondslag welke supra- (of liever infra-) historisch is. Bovendien: gesteld al dat iedere wetenschappelijke kennis coördinatie van afzonderlijke handelingen veronderstelt, ik zie niet in waarom een dergelijke coördinatie ‘uit haar eigen aard’ logisch-mathematisch moet zijn — tenzij de ‘afzonderlijke handelingen’ de wetenschappelijke operaties van de moderne fysica zijn, in welk geval de interpretatie een vicieuze cirkel zou zijn.

In tegenstelling tot Piagets nogal psychologische en biologische analyse, heeft Husserl ons een genetische epistemologie geboden, die gecentraliseerd is rond de socio-historische structuur van de wetenschappelijke rede. Ik zal hier slechts naar Husserls werk [25] verwijzen in zoverre het de nadruk legt op de mate, waarin de moderne wetenschap de ‘methodologie’ is van een vooraf gegeven historische werkelijkheid binnen welke wereld zij zich beweegt. Husserl gaat uit van het feit dat de mathematisering van de natuur resulteerde in geldige praktische kennis: in de constructie van een ‘ideële’ werkelijkheid die doelmatig met de empirische werkelijkheid ‘gecorreleerd’ kon worden (blz. 19, 42). Maar de wetenschappelijke prestatie wees terug naar een voorwetenschappelijke praxis die de oorspronkelijke grondslag (‘Sinnesfundament’) van Galileïs wetenschap vormde. Deze voorwetenschappelijke grondslag der wetenschap in de wereld van de praxis (‘Lebenswelt’) die de theoretische structuur bepaalde, werd door Galilei niet onderzocht; bovendien werd hij door de verdere ontwikkeling van de wetenschap verhuld (‘verdeckt’). Het gevolg was de illusie, dat de mathematisering van de natuur een ‘autonome (“eigenständige”) absolute waarheid’ schiep (blz. 49 vv.), terwijl het in werkelijkheid een bepaalde methode en techniek voor de ‘Lebenswelt’ bleef. De ideële sluier (‘Ideenkleid’) van de mathematische wetenschap is dus een sluier van symbolen, die tegelijkertijd de wereld van de praxis tegenwoordigstelt en verhult (‘vertritt’ en ‘verkleidet’) (blz. 52).

Waarin bestaan deze oorspronkelijke, voorwetenschappelijke intentie en inhoud, die in de begrippenstructuur van de wetenschap behouden blijven? In de praktijk ontdekt de meetkunde de mogelijkheid gebruik te maken van zekere basisvormen, -figuren en betrekkingen die, met feitelijk universeel beschikbare empirisch vastgelegde objecten er toe dienen om empirische objecten en betrekkingen exact te bepalen en te berekenen (blz. 25). Bij alle abstractie en generalisatie behoudt (en verhult) de wetenschappelijke methode haar voorwetenschappelijk-technische structuur; de ontwikkeling van eerstgenoemde stelt tegenwoordig (en verhult) de ontwikkeling van de laatste. Zo ‘idealiseert’ de klassieke geometrie de praktijk van het opmeten en in kaart brengen van land (‘Feldmesskunst’). Geometrie is de theorie van de praktische objectivering.

Natuurlijk bouwen algebra en mathematische logica een absolute ideële werkelijkheid op, die vrij is van de onberekenbare onzekerheden en eigenaardigheden van de ‘Lebenswelt’ en van de subjecten die erin leven. Toch is deze ideële constructie de theorie en techniek van het ‘idealiseren’ van de nieuwe ‘Lebenswelt’: In de wiskundige praxis bereiken we wat ons in de empirische praxis onthouden wordt, nl. exactheid. Want voor de ideale vormen opent zich de mogelijkheid ze in absolute identiteit te bepalen ... als algemeen beschikbaar’ (blz. 24). De coördinatie (‘Zuordnung’) van de ideële wereld met de empirische stelt ons in staat ‘de verwachte regelmatigheden van de praktische “Lebenswelt” te ontwerpen’: ‘Als men eenmaal de formules heeft, dan bezit men daarmee bij voorbaat reeds het vooruitzicht dat in de praktijk wordt gewenst’ — het vooruitzien van datgene wat in de ervaring van het concrete leven verwacht kan worden (blz. 43).

Husserl benadrukt de voorwetenschappelijke, technische bijbetekenissen van de mathematische exactheid en vervangbaarheid. Deze centrale begrippen in de moderne natuurwetenschappen komen niet als louter nevenproducten van een zuivere wetenschap, maar als inherent aan de innerlijke conceptuele structuur ervan te voorschijn. Het wetenschappelijk abstraheren van de concreetheid en het kwantificeren van kwaliteiten, wat exactheid zowel als universele geldigheid oplevert, houden een bepaalde concrete ervaring van de ‘Lebenswelt’ in — een bepaalde wijze van de wereld ‘zien’. En dit ‘zien’ is, ondanks het ‘zuivere’, belangeloze karakter ervan, een zien binnen een doelgerichte, praktische context. Het is vooruitzien (‘Voraussehen’ en planning (‘Vorhaben’). De galileïsche wetenschap is de wetenschap van het methodische, systematische vooruitzien en ontwerpen. Maar — en dat geeft de doorslag — van een bepaald vooruitzien en ontwerpen, dat nl. wat de wereld ervaart, begrijpt en vormt als berekenbare en voorspelbare betrekkingen tussen exact te definiëren eenheden. In dit ontwerp is de universele kwantificeerbaarheid een noodzakelijke voorwaarde voor de beheersing van de natuur. Individuele, niet-kwantificeerbare eigenschappen zijn obstakels, als men mensen en dingen in overeenstemming met de meetbare kracht die uit hen gehaald kan worden, wil organiseren. Maar dit is een specifiek socio-historisch ontwerp en het bewustzijn dat dit ontwerp maakt, is het verborgen subject van de galileïsche wetenschap; deze is de techniek, de kunst van het vooruitzien, dat tot in het oneindige uitgedijd is (‘ins Unendliche erweiterte Voraussicht’, blz. 51).

Juist omdat de galileïsche wetenschap bij het vormen van haar begrippen de techniek van een bepaalde ‘Lebenswelt’ is, transcendeert zij deze ‘Lebenswelt’ niet en kan ze dat ook niet. Ze blijft zich wezenlijk afspelen binnen het fundamentele ervaringskader en binnen de wereld van doeleinden, door deze werkelijkheid gesteld. In Husserls formulering: in de galileïsche wetenschap ‘wordt de concrete wereld van de oorzakelijkheid toegepaste wiskunde’ (blz. 113) — maar het waarnemings- en ervaringsgebied ‘waarin ons hele leven zich praktisch afspeelt, blijft als datgene wat het is, in zijn eigen wezensstructuur, in zijn eigen oorzakelijkheid onveranderd ...’ (blz. 51; onderstreping is van Marcuse).

Dit is een uitdagende bewering, die gemakkelijk afgezwakt zal kunnen worden; ik neem echter de vrijheid van een mogelijke ‘overinterpretatie’. De bewering verwijst niet simpelweg naar het feit dat wij ondanks de niet-euclidische meetkunde nog steeds in een driedimensionale ruimte waarnemen en handelen; of dat wij ondanks het ‘statistische’ oorzakelijkheidsbegrip nog steeds met ons gezond verstand handelen in overeenstemming met de ‘oude’ wetten van de oorzakelijkheid. Evenmin is de bewering in tegenspraak met de eeuwige veranderingen in de wereld van de dagelijkse praxis die het gevolg zijn van de ‘toegepaste wiskunde’. Misschien staat er wel veel meer op het spel: nl. de immanente grens van de gevestigde wetenschap en wetenschappelijke methode, op grond waarvan zij de huidige ‘Lebenswelt’ uitbreiden, rationaliseren en zekerheid geven zonder er de bestaansstructuur van te veranderen — d.w.z. zonder een kwalitatief nieuwe ‘ziens’wijze en kwalitatief nieuwe betrekkingen tussen de mensen en tussen de mens en de natuur op het oog te hebben. Met betrekking tot de geïnstitutionaliseerde levensvormen zou de wetenschap (zuivere zowel als toegepaste) zo een stabiliserende, statische, behoudende functie hebben. Zelfs haar meest opzienbarende prestaties zouden slechts opbouw en afbraak zijn in overeenstemming met een specifieke ervaring en organisatie van de werkelijkheid. De voortdurende zelfcorrectie van de wetenschap — de revolutie van haar hypothesen die in haar methode ingebouwd zit — stuwt dezelfde historische wereld, dezelfde basiservaring voort en breidt deze uit. Ze houdt vast aan hetzelfde formele a priori dat aanstuurt op een zeer materiële, praktische inhoud. Husserls interpretatie kleineert geenszins de fundamentele verandering die plaats had toen de galileïsche wetenschap optrad, integendeel, ze verwijst naar de radicale breuk met de traditie van vóór Galilei; de instrumentalistische horizon van het denken was inderdaad een nieuwe horizon. Hij schiep een nieuwe wereld van praktische en theoretische Rede, maar het bleef gebonden aan een specifieke historische wereld die haar duidelijke grenzen heeft — in theorie zowel als in praktijk, in haar zuivere zowel als in haar toegepaste methoden. De voorgaande discussie schijnt niet alleen de innerlijke beperkingen en vooroordelen van de wetenschappelijke methode, maar ook haar historische subjectiviteit te suggereren. Bovendien schijnt ze een behoefte aan een soort ‘kwalitatieve fysica’ in te sluiten, aan een opleving van de teleologische filosofieën enz. Ik geef toe dat dit vermoeden gerechtvaardigd is, maar hier kan ik slechts verzekeren dat dergelijke obscurantistische ideeën verre van mij liggen.[26]

Het doet er niet toe, hoe men waarheid en objectiviteit definieert, ze blijven betrokken op de mensen die in theorie en praktijk handelen en op hun vermogen hun wereld te begrijpen en te veranderen. Dit vermogen hangt op zijn beurt weer af van de mate waarin de materie (wat dit ook moge zijn) erkend en begrepen wordt als datgene wat ze in alle afzonderlijke vormen is. In dit opzicht heeft de huidige wetenschap oneindig grotere objectieve geldigheid dan haar voorgangsters. Men zou er zelfs aan toe kunnen voegen, dat op het ogenblik de wetenschappelijke methode de enige methode is die op een dergelijke geldigheid aanspraak kan maken; de wisselwerking van hypothesen en observeerbare feiten maakt de hypothesen geldig en bevestigt de feiten. Het argument dat ik naar voren tracht te brengen, is dat de wetenschap dankzij haar eigen methode en begrippen een wereld heeft ontworpen en helpen opbouwen waarin de beheersing van de natuur verbonden is gebleven met de beheersing van de mens — een band, die voor deze wereld in haar geheel wel eens noodlottig zou kunnen zijn. De natuur, op wetenschappelijke wijze begrepen en overmeesterd, verschijnt weer ten tonele in het technisch productie- en vernietigingsapparaat, dat het leven van de individuen schraagt en verbetert terwijl het hen ondergeschikt maakt aan de beheerders van het apparaat. Zo versmelt de rationele hiërarchie met de sociale. Als dit het geval is, dan zou de wijziging van de richting van een vooruitgang die de noodlottige band zou doorsnijden, tevens de structuur zelf der wetenschap aantasten — het wetenschappelijk ontwerp. Zonder hun rationeel karakter te verliezen zouden haar hypothesen zich ontwikkelen in een wezenlijk andere experimentele context (die van een gepacificeerde wereld); dientengevolge zou de wetenschap komen tot wezenlijk andere begrippen omtrent de natuur en zou zij wezenlijk andere feiten vaststellen. De rationele samenleving ondergraaft het begrip Rede.

Ik heb er reeds op gewezen, dat de elementen van dit omverwerpen en de ideeën omtrent een andere rationaliteit van meet af aan in de geschiedenis van het denken aanwezig zijn geweest. Het antieke idee van een staat waarin het Zijn tot vervulling komt, waarin de spanning tussen ‘is’ en ‘zou moeten zijn’ in de cyclus van eeuwige wederkeer is opgeheven, maakt deel uit van de metafysica van de overheersing. Maar tevens behoort het tot de metafysica van de bevrijding — tot de verzoening van Logos en Eros. Dit idee beoogt het tot rust komen van de repressieve productiviteit van de Rede, het einde van de overheersing door bevrediging.

Deze twee contrasterende rationaliteiten kunnen niet eenvoudig gecorreleerd worden met het klassieke resp. het moderne denken, zoals in John Deweys formulering: ‘van beschouwend genieten naar actieve manipulatie en controle’ en ‘van het kennen als een esthetisch genieten van de eigenschappen van de natuur ... naar het kennen als een middel tot controle over de wereld.’[27] Het klassieke denken was in voldoende mate verbonden met de logica van de controle over de wereld, en in het moderne denken speelde in voldoende mate een element van aanklacht en weigering mee, om John Deweys formulering te ontzenuwen. De Rede als begripsmatig denken en gedrag is noodzakelijkerwijs heerschappij, overheersing. De Logos is wet, regel, orde dankzij de kennis. Door afzonderlijke gevallen onder een algemene noemer te brengen, door deze te onderwerpen aan hun algemeen begrip wordt het denken heer en meester over de afzonderlijke gevallen. Het is tenslotte in staat ze niet alleen te begrijpen, maar ze ook te beïnvloeden en te beheersen. Terwijl al het denken onder de wet van de logica staat, is echter het ontvouwen van deze logica bij de verscheidene denkwijzen anders. De klassieke formele en de moderne symbolische logica, de transcendentale en de dialectische logica — ieder van deze heerst over een andere wereld van taalgebruik en ervaring. Alle ontwikkelden ze zich binnen het historisch continuüm van de overheersing waaraan zij schatting betalen. En dit continuüm geeft aan de positieve denkwijzen hun conformistisch en ideologisch, aan de negatieve hun speculatief en utopisch karakter.

Bij wijze van samenvatting kunnen we nu proberen iets duidelijker het verborgen subject van de wetenschappelijke rationaliteit en de verborgen doeleinden in haar zuivere vorm aan te wijzen. Het wetenschappelijk begrip van een universeel controleerbare natuur ontwierp de natuur als eindeloze materie-in-functie, louter en alleen de ruwe stof voor theorie en praktijk. In deze vorm trad de objectwereld in de opbouw van een technologische wereld binnen — een wereld van mentale en fysieke instrumentaliteiten, middelen op zich. Zo is het een waarlijk ‘hypothetisch’ systeem, dat afhankelijk is van een constaterend en verifiërend subject. De processen van constateren en verifiëren zijn misschien zuiver theoretisch, maar ze grijpen nooit plaats in een vacuüm en ze monden nooit uit in een private, individuele geest. Het hypothetisch systeem van vormen en functies wordt afhankelijk van een ander systeem — een vooraf vastgestelde wereld van doeleinden waarin en waarvoor het tot ontwikkeling komt. Wat vreemd, niet-eigen aan het theoretisch ontwerp scheen, blijkt juist een onderdeel te zijn van de structuur ervan (methode en begrippen); zuivere objectiviteit openbaart zichzelf als object voor een subjectiviteit die de Telos, de doeleinden verschaft. Bij de opbouw van een technologische werkelijkheid bestaat er niet zoiets als een zuiver rationele wetenschappelijke orde; het proces van de technologische rationaliteit is een politiek proces.

Alleen in het medium van de technologie worden mens en natuur vervangbare organisatie-objecten. De universele doelmatigheid en productiviteit van het apparaat waar ze onder vallen, verhullen de bijzondere belangen die het apparaat organiseren. M.a.w. de technologie is de grote drager van de reïficatie, het tot-ding-maken geworden — de reïficatie in haar meest ontwikkelde en doeltreffende vorm. De sociale positie van het individu en zijn relatie tot anderen worden blijkbaar niet alleen bepaald door hun objectieve hoedanigheden en wetten, maar deze hoedanigheden en wetten schijnen bovendien hun geheimzinnige en oncontroleerbare aard te verliezen, ze blijken berekenbare manifestaties van de (wetenschappelijke) rationaliteit te zijn. De tendens zit erin, dat de wereld de materie wordt voor een totaal bestuur, dat zelfs de bestuurders opslokt. Het netwerk der overheersing is het netwerk der Rede zelf geworden en deze samenleving heeft zich er noodlottig in verward. En de transcenderende denkwijzen schijnen de Rede zelf te transcenderen.

Onder deze omstandigheden krijgt het wetenschappelijk denken (wetenschappelijk in ruimere zin, in tegenstelling tot warhoofdig, metafysisch, emotioneel en onlogisch denken) buiten de natuurwetenschappen aan de éne kant de vorm van een zuiver, op zichzelf staand formalisme (symbolisme), van een totaal empirisme aan de andere kant (De tegenstelling is geen conflict. Kijk maar eens naar de zeer empirische toepassing van de wiskunde en symbolische logica in de elektronische industrieën). Met betrekking tot de gevestigde wereld van spreken en handelen is het niet-tegenspreken en het niet-transcenderen de gemeenschappelijke noemer. Het totale empirisme toont zijn ideologische functie in de hedendaagse filosofie. Ten aanzien van deze functie zullen enige aspecten van de taalanalyse in het volgend hoofdstuk worden besproken. Deze discussie moet de weg banen voor de poging de belemmeringen te laten zien die dit empirisme beletten, de werkelijkheid in zijn greep te krijgen en de begrippen die deze belemmeringen misschien kunnen opheffen, te formuleren (of liever gezegd: opnieuw te formuleren).


[1] Herbert Dingler, in: Nature, vol. 168 (1951) 630.
[2] W. V. O. Quine, From a Logical Point of View (Cambridge 1953) 44. Quine spreekt over de ‘mythe van de fysische objecten’ en zegt dat ‘gezien de epistemologische fundering de fysische objecten en de goden [van Homerus] slechts in graad en niet in soort verschillen’ (ibidem). Maar epistemologisch is de mythe van de fysische objecten van hogere waarde ‘omdat het zich meer dan andere mythen doelmatig heeft betoond als een hulpmiddel om een hanteerbare structuur aan te brengen in de stroom van de ervaring’. De evaluatie van het wetenschappelijk begrip in de zin van ‘doelmatig’, ‘hulpmiddel’ en ‘hanteerbaar’ laat de manipulatie-technologische elementen erin zien.
[3] H. Reichenbach, in Philipp G. Frank (uitg.). The Validation of Scientific Theories (Boston 1954) 85 vv. (aangehaald door Adolf Grünbaum).
[4] Adolf Grünbaum, op. cit. 87 vv.
[5] Max Born, Physical Reality, in: Philosophical Quarterly 3 (1953) 143. (cursivering van Marcuse).
[6] ‘Was wir mathematisch festlegen, ist nur zum kleinen Teil ein ‘objectives Faktum’, zum grösseren Teil eine Uebersicht über Möglichkeiten.’ Ueber den Begriff ‘Abgeschlossene Theorie’ in: Dialectica, Bd. VI, nr. 1, S. 333.
[7] Philipp G. Frank, op. cit. 85.
[8] C. F. von Weizsäcker, Die Geschichte der Natur (Göttingen 1962) 17 v.
[9] In: British Philosophy in the Mid-Century (New York 1957), uitg. door C. A. Mace, 155 vv. Eveneens Mario Bunge, Metascientific Queries (Springfield III, 1959) 108 vv.
[10] W. Heisenberg, Das Naturbild der heutigen Physik (Hamburg 1963) 21. In zijn boek Physik und Philosophie (Berlin 1959) 70 schrijft Heisenberg: ‘Het “ding-op-zich” is voor de atoomfysicus, als hij dit begrip al hanteert, tenslotte een mathematische structuur; maar deze structuur wordt - in tegenstelling tot wat Kant beweert - indirect uit de ervaring afgeleid.’
[11] Die Krisis der Europäischen Wissenschaften und die transzendentale Phänomenologie, onder redactie van W. Biemel (Den Haag 1954) 81.
[12] ‘... la nature est mise sous le signe de l’homme actif, de l’homme inscrivant la technique dans la nature.’ Gaston Bachelard, L’activité — rationaliste de la physique contemporaine (Paris 1951) 7, met een verwijzing naar Marx en Engels, Die Deutsche Ideologie (Berlin 1953) 40 vv.
[13] Martin Heidegger, Holzwege (Frankfurt 1950) 266 vv. (Zie ook zijn Vorträge und Aufsätze (Pfüllingen 1954) 22, 29). De aanhaling uit Holzwege is ontleend aan de Engelse vertaling van Marcuse zelf. De oorspronkelijke Duitse tekst luidt: ‘Der neuzeitliche Mensch stellt sich ... aus den heraus, der ... als der sich durchsetzende Hersteller aufsteht ... Das ganze des gegenständlichen Bestandes ist dem sich durchsetzenden Herstellen anheimgestellt, anbefohlen ... und wird im vorhinein ... zum Material.’ ‘Denn überhaupt ist die Benutzung von Maschinerien und die Fabrikation von Maschinen nicht schon die Technik selbst, sondern nur ihr gemässes Instrument der Einrichtung ihres Wesens im Gegenständlichen ihrer Rohstoffe.’
[14] Das Elend der Philosophie (Berlin 1952) 130.
[15] C. F. von Weizsäcker, Die Geschichte der Natur 51.
[16] Ibidem 95 (cursivering van Marcuse).
[17] Ibidem 51.
[18] Ik hoop dat men mij niet verkeerd begrijpt: ik suggereer niet dat de begrippen van de mathematische fysica als ‘werktuigen’ zijn bedoeld, dat ze een technische en praktische bedoeling hebben. Technologisch is veeleer de a-prioristische ‘intuïtie’ of opvatting van de wereld waarin de wetenschap zich afspeelt, waarin zij zichzelf als zuivere wetenschap constitueert. De zuivere wetenschap blijft vastzitten aan het a priori waarvan zij abstraheert. Misschien zou het duidelijker zijn, van de instrumentalistische horizon van de mathematische fysica te spreken. Zie Suzanne Bachelard, La Conscience de rationalité (Paris 1958) 31.
[19] M. Horkheimer en T. W. Adorno, Dialektik der Aufklärung 50.
[20] ‘On pourrait nommer philosophie autocratique des techniques cella qui prend l’ensemble technique comme un lieu où l’on utilise les machines pour obtenir de la puissance. La machine est seulement un moyen; la fin est la conquête de la nature, la domestication des forces naturelles au moyen d’un premier asservissement: la machine est un esclave qui sert à faire d’autres esclaves. Une pareille inspiration dominatrice et esclavagiste peut se rencontrer avec une requête de liberté pour l’homme. Mais il est difficile de se libérer en transférant l’esclavage sur d’autres êtres, hommes, animaux ou machines; régner sur un peuple de machines asservissant le monde entier, c’est encore régner, et tout règne suppose l’acceptation des schèmes d’asservissement.’ Gilbert Simondon, Du mode d’existence des objets techniques (Paris 1958) 127.
[21] ‘Contrairement à ce que l’on dit souvent, les êtres mathématiques ne résultent donc pas d’une abstraction à partir des objets, mais bien d’une abstraction effectuée au sein des actions comme telles. Réunir, ordonner, déplacer, etc. sont des actions plus générales que penser, pousser, etc. parce qu’elles tiennent à la coordination même de toutes les actions particulières et entrent en chacune d’elles à titre de facteur coordinateur...’ Introduction à l’epistémologie génétique (Paris 1950), tome III, 287.
[22] Ibidem 288.
[23] ‘... cette abstraction ou différenciation porte jusqu’au sein des coordinateurs héréditaires, puisque les mécanismes coordinateurs de l’action tiennent toujours, en leur source, à des coördinations reflexes et instinctives.’ Ibidem 289.
[24] ‘... des actions particulières ne donnent lieu à une connaissance que coordonnées entre elles et que cette coordination est, par sa nature même, logico-mathématique.’ Ibidem 291.
[25] Die Krisis der Europäischen Wissenschaften und die transzendentale Phänomenologie (Den Haag 1954).
[26] Zie hieronder hoofdstukken 9 en 10.
[27] John Dewey, The Quest for Certainty (New York 1929) 95, 100.