Herbert Marcuse
De eendimensionale mens
Hoofdstuk 4
‘Dans l’état présent de l’Histoire, toute écriture politique ne peut que confirmer un univers policier, de même toute écriture intellectuelle ne peut qu’instituer une para-litérature, qui n’ose plus dire son nom.’
‘In de huidige fase der geschiedenis kan ieder politiek geschrift slechts een bevestiging zijn van een politiewereld, net zoals ieder intellectueel geschrift slechts een para-literatuur te voorschijn kan brengen die haar naam niet meer durft te noemen.’
Roland Barthes
Het Gelukkig Bewustzijn — het geloof dat het werkelijke redelijk is en dat het systeem het benodigde verschaft — weerspiegelt het nieuwe conformisme dat een facet is van de technologische rationaliteit, vertaald in sociaal gedrag. Het is nieuw, omdat het nog nooit zó rationeel was. Het schraagt een samenleving die de meer primitieve irrationaliteit der voorgaande stadia heeft beperkt (en in haar meest ontwikkelde gebieden geëlimineerd), die meer planmatig dan vroeger het leven verlengt en beter maakt. De totale vernietigingsoorlog heeft nog niet plaatsgegrepen; de uitroeiingskampen van de nazi’s zijn afgeschaft. Het Gelukkig Bewustzijn verdringt de samenhang. Het martelen heeft weer als normale zaak zijn intrede gedaan, maar in een koloniale oorlog die plaats grijpt in het grensgebied der beschaafde wereld. En daar wordt het met een goed geweten gedaan, want oorlog is nu eenmaal oorlog. En deze oorlog is trouwens ook nog marginaal — hij brengt alleen maar verwoesting aan in de ‘onderontwikkelde’ landen. Overal elders heerst vrede.
De macht die deze samenleving heeft gekregen over de mens, wordt dagelijks door haar doelmatigheid en productiviteit vrijgesproken. Als ze al alles waarmee ze in aanraking komt, assimileert, als ze de oppositie inpalmt, als ze een spelletje speelt met de tegenspraak, laat ze toch daarmee duidelijk haar culturele superioriteit zien. En op dezelfde wijze worden haar overvloed en het ‘hoge niveau van welvarendheid’ bewezen door de vernietiging van hulpbronnen en de overvloedige productie van waardeloze rommel; ‘de Gemeenschap zit er té warmpjes bij dan dat ze zich er iets van aan zou trekken!’[1]
Een dergelijke welvarendheid, de productieve bovenbouw op de ontevreden grondslag van de samenleving, dringt door in de ‘media’ die tussen de heren en hun knechten bemiddelen. Haar publiciteitsmensen geven vorm aan de wereld van de communicatie waarin het eendimensionale gedrag zichzelf uitdrukt. Haar taal getuigt van identificatie en éénwording, van de systematische oproep tot positief denken en doen, van de gezamenlijke aanval op transcendente, kritische begrippen. In de heersende spreekwijzen zien we de tegenstelling tussen tweedimensionale, dialectische denkwijzen en het technologische gedrag of de sociale ‘denkgewoonten’.
Bij het uitdrukken van deze denkgewoonten bestaat er een neiging de spanning tussen verschijningsvorm en werkelijkheid, feit en factor, hoofd- en bijzaak weg te laten. De elementen van autonomie, ontdekking, bewijs en kritiek treden terug voor de aanduiding, de bewering en de navolging. Magische, autoritaire en rituele elementen doordringen spraak en taal. Het taalgebruik wordt beroofd van de bemiddelingen die de fasen van het cognitieve proces en de cognitieve evaluatie behelzen. De begrippen die de feiten omvatten en zodoende de feiten transcenderen, verliezen hun authentieke taalkundige weergave. Zonder deze bemiddelingen is de taal geneigd de onmiddellijke identificatie van rede en feit, van waarheid en gevestigde waarheid, van wezen en bestaan en van het ding en zijn functie uit te drukken en te bevorderen.
Deze identificaties, die reeds als een trek van het operationalisme naar voren kwamen,[2] verschijnen weer ten tonele als een kenmerk van het taalgebruik in het sociale gedrag. Hier biedt het functionaliseren van de taal een helpende hand bij het verdringen van non-conformistische elementen uit de structuur en beweging van de spraak. Woordenschat en syntaxis worden gelijkelijk aangetast. De samenleving drukt haar wensen direct in het taalmateriaal uit, maar niet zonder oppositie; de volkstaal valt vol wrok, met uitdagende humor het officiële en semi-officiële taalgebruik aan. Zelden zijn slang en omgangstaal zó creatief geweest. Het is alsof de gewone man (of zijn anonieme woordvoerder) in zijn spreken zijn menselijkheid stelt tegenover de heersende machten, alsof de afwijzing en de opstand, in de politieke sfeer de kop ingedrukt, losbarsten in de woordenschat die de dingen bij hun naam noemen: ‘headshrinker’ en ‘egghead’, ‘boob tube’, ‘think tank’, ‘beat it’ en ‘dig it’ en ‘gone, man, gone’.[i] De defensielaboratoria en de uitvoerende organen, de regeringen en de apparaten, de controleurs en de managers, de efficiency-experts en de politieke schoonheidssalons (die de leiders een passende make-up geven) spreken echter een andere taal en het ziet er naar uit dat zij voorlopig het laatste woord hebben. En dát woord geeft de bevelen en organiseert, zet de mensen ertoe aan iets te doen, te kopen en te aanvaarden. Het wordt overgebracht in een stijl die een echte taalschepping is: een syntaxis waarin de structuur van de zin zodanig is ingeperkt en ineengedrongen dat er geen spanning, geen ‘ruimte’ meer is tussen de zinsdelen. Deze taalvorm strijdt met een ontplooiing van de betekenis. Ik zal nu proberen deze stijl toe te lichten.
De grondtrek van het operationalisme — nl. het begrip synoniem te maken met de overeenkomstige reeks operaties[3] — duikt weer op in de neiging van de taal ‘de namen der dingen tegelijkertijd als een aanwijzing te beschouwen voor hun wijze van functioneren en de namen van eigenschappen en processen als een symbool voor het apparaat, dat gebruikt wordt om ze te ontdekken of te veroorzaken’.[4] Dit is een technologische denktrant waarin gemakkelijk ‘dingen met hun functies geïdentificeerd’ worden.[5]
Als denkgewoonte buiten de wetenschappelijke en technische taal vormt een dergelijk denktrant de uitdrukking van een specifiek sociaal en politiek behaviorisme. In deze behavioristische wereld vallen woorden en begrippen gemakkelijk samen, of liever gezegd wordt het begrip gemakkelijk opgeslokt door het woord. Het eerste heeft geen andere inhoud dan die welke door het woord in het publieke en gestandaardiseerde gebruik wordt aangeduid en men gaat er van uit dat het woord geen andere weerklank vindt dan het publieke en gestandaardiseerde gedrag (reactie). Het woord wordt een gemeenplaats en als gemeenplaats heerst het over spreken of schrijven; op deze wijze sluit de communicatie reeds bij voorbaat een werkelijke ontplooiing van de betekenis uit.
Natuurlijk bevat elke taal ontelbare termen die geen ontplooiing van hun betekenis nodig hebben, zoals de termen die voorwerpen en instrumenten uit het dagelijks leven, zichtbare natuur, vitale behoeften en verlangens aanduiden. Deze termen worden door iedereen begrepen, zodat zij alleen al bij hun verschijnen onmiddellijk een antwoord (linguïstisch of operationeel), aangepast aan de pragmatische context waarin ze gebruikt worden, oproepen.
Met betrekking tot termen die dingen of gebeurtenissen buiten deze niet-controversiële context aanduiden, ligt de situatie heel anders. Hier brengt het functionaliseren van de taal een verkorting van betekenis tot uiting, die ook politiek gezien van belang is. De namen van de dingen zijn niet alleen ‘een aanwijzing voor hun wijze van functioneren’, maar hun (feitelijke) wijze van functioneren bepaalt en ‘omsluit’ ook de betekenis van het ding, door andere wijzen van functioneren uit te sluiten. Het zelfstandig naamwoord beheerst op een autoritaire en totalitaire manier de zin, en de zin wordt een verklaring die aanvaard moet worden; het verzet zich tegen een bewijs, voorbehoud, ontkenning van zijn gecodificeerde en uitdrukkelijke betekenis.
Op de knooppunten van de wereld van het officieel geaccepteerde taalgebruik staan analytische proposities die zichzelf geldig verklaren; ze werken als magisch-rituele formules. Telkens weer in de geest van de toehoorder ingehamerd, hebben ze als resultaat dat deze ingesloten wordt binnen de cirkel van de voorwaarden die de formule voorschrijft.
Ik heb reeds gewezen op de hypothese, die zichzelf geldig verklaart, als propositionele vorm in de wereld van het politieke taalgebruik.[6] Zelfstandige naamwoorden als ‘vrijheid’, ‘gelijkheid’, ‘democratie’ en ‘vrede’ impliceren, analytisch gezien, een bepaalde reeks attributen; onveranderlijk verschijnen deze zodra het zelfstandig naamwoord wordt uitgesproken of geschreven. In het Westen bestaat de analytische predicaatsvorming uit termen als vrijheid van onderneming, initiatief, verkiezingen, individu; in het Oosten uit termen als arbeiders en boeren, opbouw van communisme of socialisme, afschaffing van de vijandige klassen. Aan beide kanten is het niet correct of wordt het propaganda genoemd als het taalgebruik boven de gesloten analytische structuur uitgaat, hoewel de methoden de waarheid op te leggen en de strafmaten zeer uiteenlopen. In deze wereld van officieel taalgebruik speelt het spreken zich af in synoniemen en tautologieën; in feite beweegt het zich nooit in de richting van het kwalitatieve verschil. De analytische structuur isoleert het overheersende zelfstandige naamwoord van die van zijn betekenisinhouden, welke het algemeen aanvaarde gebruik van het zelfstandige naamwoord in verklaringen van politiek en openbare mening ongeldig zouden kunnen maken of op zijn minst zouden kunnen verstoren. Het geritualiseerde begrip wordt immuun gemaakt voor tegenspraak.
Zodoende kan het feit dat het huidige soort van vrijheid slavernij is en dat het huidige soort van gelijkheid van bovenaf opgelegde ongelijkheid is, niet meer uitgedrukt worden, omdat deze begrippen gesloten definities hebben in termen van de machten die de respectieve werelden van taalgebruik vorm geven. Het resultaat is de bekende taal van Orwell (‘oorlog is vrede’ en ‘vrede is oorlog’ enz.), die in geen geval alleen maar bij een terroristisch totalitair stelsel behoort. Bovendien doet het niet minder aan Orwell denken dat de tegenspraak niet uitgesproken wordt in de zin, maar in het zelfstandig naamwoord opgesloten zit. Dat een politieke partij die voor de verdediging en groei van het kapitalisme werkt, ‘socialistisch’, een despotisch bewind ‘democratisch’ en een door manipulatie verkregen verkiezing ‘vrij’ worden genoemd, zijn vertrouwde linguïstische — en politieke — verschijnselen die reeds lang vóór Orwell optraden.
Betrekkelijk nieuw is het algemeen aanvaarden van deze leugens door de openbare en persoonlijke mening, het verdonkeremanen van hun monsterlijke inhoud. De verbreiding en het succes van deze taal getuigen van de zege der samenleving over de contradicties die ze bevat; ze worden herhaaldelijk uitgesproken zonder dat het sociale systeem uit elkaar springt. En het is juist de openlijk gemanifesteerde lawaaierige contradictie, die tot slogan en reclamemiddel wordt gemaakt. De ingekorte syntaxis verkondigt luide de verzoening der tegengestelden door ze in een stevige en vertrouwde structuur samen te voegen. Ik zal trachten aan te tonen dat de ‘schone bom’ en de ‘onschadelijke radioactieve neerslag’ slechts de extreme scheppingen zijn van een normale stijl. Eens als de grootste fout tegen de logica beschouwd, verschijnt de tegenspraak nu als een beginsel van de logica der manipulatie: een realistische karikatuur van de dialectiek. Deze logica hoort bij een samenleving die het zich kan veroorloven de logica naast zich neer te leggen en met de vernietiging te spelen, een samenleving met een technologische heerschappij over geest en stof. De wereld van het taalgebruik waarin de tegenstellingen worden verzoend, heeft een stevige basis voor een dergelijke éénwording: haar weldadige verwoestende werking. Levenssferen die vroeger aan elkaar vijandig waren, worden door de volledige commercialisering met elkaar verbonden en deze verbinding komt tot uiting in het vlotte linguïstisch aan elkaar hechten van tegenstrijdige spraakcomponenten. Voor een geest die nog niet ‘geconditioneerd’ genoeg is, lijkt veel uit het openbaar gesproken en gedrukte woord volkomen surrealistisch. Koppen in de trant van ‘Labor is Seeking Missile Harmony’[7] en advertenties voor zaken als een ‘Luxury Fall-Out Shelter’[8] kunnen nog de naïeve reactie oproepen dat ‘Labor’, ‘Missile’ en ‘Harmony’ onverzoenbare tegenstellingen zijn en dat geen enkele logica en geen enkele taal in staat zal kunnen zijn luxe en radioactieve neerslag op een correcte wijze samen te voegen. De logica en de taal worden echter volmaakt redelijk als we horen, dat er aan een ‘onderzeeër, voortgedreven door atoomkracht en toegerust met geleide projectielen’ ‘een prijskaartje van $ 120.000.000 hangt’ en dat het schuilkeldertype van $ 1.000 ingericht is met ‘vloerbedekking, scrabble en televisie’. De bevestigende kracht ligt niet zozeer in het feit dat er door deze taal verkocht wordt (het schijnt dat de business met de radioactieve neerslag niet zo goed ging), maar veeleer in het feit dat het een gunstige invloed heeft op de onmiddellijke identificatie van het particuliere met het algemeen belang, van het zakenleven met de nationale zaak en van voorspoed met het vernietigingspotentieel. Het is alleen maar een ‘uitglijden’ van de waarheid, als een schouwburg Strindbergs Dodendans aankondigt als een: ‘speciale verkiezingsavond-uitvoering’.[9] De aankondiging laat de samenhang in een minder ideologische vorm zien dan normaliter wordt toegestaan.
De versmelting der tegengestelden waardoor de commerciële en politieke stijl wordt gekenmerkt, is een van de vele methoden waarmee het taalgebruik en de communicatie zich immuun maken voor uitingen van protest en weigering. Hoe kunnen een dergelijk protest en een dergelijke weigering de juiste woorden vinden, als de organen van de gevestigde orde toegeven en reclameachtig verkondigen dat vrede eigenlijk op het randje van de oorlog ligt, dat er aan de meest afgrijselijke wapens een winstgevend prijskaartje hangt en dat de schuilkelder gezelligheid kan verspreiden? Door haar contradicties als bewijs voor haar waarheid tentoon te stellen, sluit deze wereld van het taalgebruik zich af voor ieder ander taalgebruik dat niet haar eigen termen gebruikt. En door haar vermogen alle andere termen aan die van haarzelf gelijk te schakelen, biedt ze het uitzicht waarin de grootst mogelijke verdraagzaamheid met de grootst mogelijke eenheid gepaard gaat. Desalniettemin legt haar taal getuigenis af van het repressieve karakter van deze eenheid. Deze taal spreekt in constructies die aan de toehoorder de vertekende en ingeperkte betekenis, de geblokkeerde ontvouwing van de inhoud en het aanvaarden van wat aangeboden wordt in de vorm waarin het aangeboden wordt, opdringen.
Het analytisch uitzeggen van een predicaat is zo’n constructie die onderdrukking in de hand werkt. Het feit dat een bepaald zelfstandig naamwoord bijna altijd verbonden wordt met dezelfde ‘verklarende’ bijvoeglijke naamwoorden en attributen, maakt de zin tot een hypnotische formule die, eindeloos herhaald, de betekenis in de geest van de toehoorder vastlegt. Deze denkt niet meer aan een wezenlijk andere (en mogelijkerwijs ware) uitleg van het zelfstandige naamwoord. Verderop zullen we nog andere constructies bekijken waarin het autoritaire karakter van deze taal aan het licht komt. Zij hebben een in elkaar geschoven en ingeperkte syntaxis gemeen, die de ontplooiing van de betekenis afsnijdt door gefixeerde beelden te scheppen, die zich met een overweldigende en versteende concreetheid opdringen. Het is de overbekende techniek van de reclame-industrie waar het methodisch wordt gebruikt om ‘een “image” op te bouwen’, een image dat in het bewustzijn en aan het product blijft hangen, en gunstig inwerkt op de verkoop van de mensen en goederen. Spreken en schrijven worden gegroepeerd rondom ‘pakkende koppen’ en ‘blikvangers’ die de image overbrengen. Deze image kan ‘vrijheid’ zijn of ‘vrede’ of ‘de aardige vent’ of ‘de communist’ of ‘Miss Rheingold’. De lezer of toehoorder wordt voorondersteld er een vaste structuur van instituties, geesteshoudingen en aspiraties mee te verbinden (en doet dit ook) en hij moet op een vaste, specifieke manier reageren.
Ziet men van de betrekkelijk onschadelijke handelssfeer af, dan zijn de gevolgen nogal ernstig, want een dergelijke taal is tegelijkertijd ‘intimidatie en verheerlijking’.[10] Proposities nemen de vorm aan van suggestieve geboden — ze roepen eerder iets op dan dat ze iets bewijzen. Het uitzeggen van een predicaat krijgt het karakter van een voorschrift; de gehele boodschap heeft een hypnotisch karakter. Tegelijkertijd heeft het de kleur van een valse vertrouwdheid — het resultaat van een voortdurende herhaling en van een zorgvuldig geleide populaire directheid van de communicatie. Deze richt zich direct tot de ontvanger — zonder de afstand van status, opleiding of ambt — en zoekt hem of haar op in de informele sfeer van zitkamer, keuken en slaapkamer.
Diezelfde vertrouwdheid wordt bereikt met de gepersonaliseerde taal die een belangrijke rol speelt in de ontwikkelde communicatie.[11] Het gaat over ‘uw’ afgevaardigde op het congres, ‘uw’ autosnelweg, ‘uw’ eigen kruidenier, ‘uw’ krant; het wordt ‘u’ thuisbezorgd, men nodigt ‘u’ uit enz. Op dezelfde wijze worden van bovenaf opgelegde, algemene standaardartikelen en functies voorgesteld als waren zij ‘speciaal voor u’. Het maakt weinig verschil of de individuen die op deze wijze worden aangesproken, erin geloven of niet. Het succes ervan is er een aanwijzing voor dat het gunstig werkt op de zelfidentificatie van de individuen met de functies, die zij en de anderen vervullen.
In de meest ontwikkelde sectoren van de functionele en gemanipuleerde communicatie dringt de taal in werkelijk opvallende constructies de autoritaire identificatie van persoon en functie op. Het tijdschrift ‘Time’ kan als een extreem voorbeeld van deze trend dienen. Het gebruik van de verbogen genitief laat individuen zien als loutere aanhangsels of eigenschappen van hun plaats van herkomst, hun baan, hun werkgever of firma. Ze worden aangeduid als ‘Virginia’s Byrd’, ‘U.S. Steel’s Blough’ en ‘Egypt’s Nasser’. Een attributieve constructie met verbindingsstreepjes schept een vast syndroom:
‘Georgia’s high-handed, low-browed governor ... had the stage all set for one of his wild political rallies last week.’
De gouverneur[12], zijn functie, zijn fysieke trekken en zijn politieke praktijken worden samengesmolten tot een ondeelbaar en onveranderlijk blok, dat met zijn natuurlijke onschuld en directheid de geest van de lezer overmeestert. De constructie laat geen ruimte over voor onderscheid, ontwikkeling en differentiatie van de betekenis: ze beweegt en leeft slechts als een geheel. Beheerst door dergelijke gepersonaliseerde en hypnotische beelden kan het artikel verder gerust zelfs essentiële informatie geven. Het verslag valt veilig binnen het goed geredigeerde kader van een min of meer belangwekkend verhaal zoals dat door de politiek van de uitgever omschreven is.
Het gebruik van korte constructies met een verbindingsstreep is wijd en zijd verbreid. Zoals bv. ‘brush-browed’ Teller, de ‘vader van de H-bom’, ‘bult-shouldered missileman’ von Braun, een ‘science-military dinner’[13] en de ‘nuclear-powered ballistic-missile-firing’ onderzeeër. Dergelijke constructies komen, waarschijnlijk niet toevallig, vooral veel voor in zinnen die technologie, politiek en militaire zaken samenvoegen. Termen die onderling geheel verschillende sferen of hoedanigheden omschrijven, worden in een massief, verpletterend geheel tezamen geperst.
Het effect is weer magisch en hypnotisch — er worden beelden geprojecteerd die een onweerstaanbare eenheid, een harmonie tussen contradicties overbrengen. Zo brengt de beminde en gevreesde vader, die leven geeft, de H-bom voort ter uitroeiing van het leven; ‘science-military’ verbindt de pogingen angst en lijden te verminderen met de job angst en lijden op te roepen. Ofwel, zonder de verbindingsstreep: de ‘Freedom Academy’ voor specialisten in de koude oorlog[14] en de ‘schone bom’, die aan de vernietiging een morele en fysieke integriteit toekennen. Mensen die een dergelijke taal spreken en aanvaarden, schijnen overal immuun voor te zijn — en overal voor open te staan. Het gebruik van verbindingsstreepjes (expliciet of niet) verzoent niet altijd het onverzoenlijke; dikwijls is de combinatie heel onschuldig — zoals het geval is met ‘bull-shouldered missileman’ — of brengt zij een bedreiging over of een meeslepende dynamiek. Maar het effect blijft gelijk. De opgelegde structuur verenigt in één lichtflits de spelers en hun daden van geweld, macht, bescherming en propaganda. We zien de man en het ding aan het werk en alleen maar aan het werk — anders kan het niet.
Een opmerking over afkortingen. NAVO, SEATO, VN, AFL-CIO, AEC maar ook USSR, DDR enz. De meeste van deze afkortingen zijn volkomen redelijk en worden gerechtvaardigd door de lengte van de niet-afgekorte aanduidingen. Men kan echter ook proberen in sommige hiervan een ‘list der Rede’ te zien — de afkorting kan een hulp zijn bij het in de kiem smoren van ongewenste vragen. NAVO suggereert iets anders dan wat Noord-Atlantische Verdragsorganisatie inhoudt: nl. een verdrag tussen naties aan de Noord-Atlantische Oceaan — in dat geval zou men vragen kunnen gaan stellen omtrent het lidmaatschap van Griekenland en Turkije. USSR kort socialisme en sovjet af, DDR democratisch. VN vermijdt een onnodige nadruk op ‘Verenigde’, SEATO op die Zuidoost-Aziatische landen die zich er niet bij hebben aangesloten. AFL-CIO begraaft de radicale politieke verschillen die eens de twee organisaties van elkaar scheidden en AEC is alleen maar een administratief kantoor onder vele andere. De afkortingen duiden datgene aan, en alleen maar datgene, wat zodanig geïnstitutionaliseerd is dat de transcenderende bijbetekenis afgesneden is. De betekenis ligt vast, is pasklaar gemaakt, vervalst. Als het eenmaal een officieel woord is geworden, voortdurend in het algemeen spraakgebruik herhaald, ‘gesanctioneerd’ door de intellectuelen, heeft het alle kenwaarde verloren en doet het alleen nog maar dienst als erkenning van een onbetwistbaar feit.
Deze stijl bezit een overweldigende concreetheid. Het ‘ding, geïdentificeerd met zijn functie’ is reëler dan het ding, los van zijn functie, en de taalkundige uitdrukking van deze identificatie (in het functionele zelfstandige naamwoord en in de vele vormen van inkortingen van de syntaxis) schept een basiswoordenschat en syntaxis die obstakels vormen voor differentiatie, scheiding en onderscheiding. Deze taal die voortdurend beelden opdringt, verzet zich tegen een ontplooiing en uitdrukking van begrippen. Met haar onmiddellijkheid en directheid belemmert ze het denken in begrippen en daarmee het denken zelf. Want het begrip identificeert het ding niet met zijn functie. Een dergelijke identificatie mag dan wel de wettige en zelfs de enige betekenis zijn van het operationele en technologische begrip, maar operationele en technologische definities vormen een speciaal gebruik van begrippen voor speciale doeleinden. Bovendien lossen ze begrippen in operationele handelingen op en sluiten de begrippelijke intentie die zich verzet tegen een dergelijke ‘oplossing’, uit. Nog vóórdat er een operationeel gebruik van wordt gemaakt, ontkent het begrip de identificatie van het ding met zijn functie; het maakt een onderscheid tussen dat wat het ding is en de toevallige functies van het ding in de bestaande werkelijkheid. De huidige tendensen in de spraak die deze onderscheidingen afwijzen, zijn uitingen van de wijzigingen in de denkwijzen, die in de voorgaande hoofdstukken besproken zijn — de gefunctionaliseerde, ingekorte en uniforme taal is de taal van het eendimensionale denken. Om het volkomen nieuwe hiervan te belichten zal ik een beknopte vergelijking maken met een klassieke filosofie van de grammatica waarin de gedragswereld wordt getranscendeerd en linguïstische categorieën worden verbonden met ontologische.
Volgens deze filosofie is het grammaticale onderwerp van een zin allereerst een ‘substantie’ en blijft dit in de verschillende toestanden, functies en hoedanigheden die de zin uitzegt van het onderwerp. Het is actief of passief verbonden met zijn predicaten, maar blijft er van verschillen. Als het onderwerp geen eigennaam is, is het meer dan een zelfstandig naamwoord: het drukt het begrip van een ding uit, een universele aanduiding die door de zin wordt gedefinieerd als in een particuliere toestand of functie. Zo heeft het grammaticale onderwerp een betekenis, die meer inhoudt dan die welke in de zin wordt uitgedrukt.
In de woorden van Wilhelm von Humboldt: het zelfstandig naamwoord als grammaticaal onderwerp duidt iets aan dat ‘bepaalde betrekkingen kan aangaan’[15], maar niet identiek is met deze betrekkingen. Bovendien blijft het zijn wezen behouden in en ‘tegenover’ deze betrekkingen; het is de ‘algemene’ en wezenlijke kern daarvan. De propositionele synthese verbindt de handeling (of toestand) zódanig met het onderwerp, dat het onderwerp aangewezen wordt als de handelende (of de drager) en zó wordt onderscheiden van de toestand of functie waarin het toevallig verkeert. Als we zeggen: ‘de bliksem slaat in’, ‘denken we niet alleen aan de inslaande bliksem, maar eveneens aan de bliksem zelf, die inslaat’, aan een onderwerp dat ‘tot actie is overgegaan’. En als een zin een definitie geeft van zijn onderwerp, lost deze het onderwerp niet op in zijn toestanden en functies, maar definieert het als zijnde in deze toestand of deze functie vervullende. Door niet op te gaan in zijn predicaten noch door te bestaan als een entiteit voor en buiten zijn predicaten, constitueert het onderwerp zichzelf in zijn predicaten — het resultaat van een bemiddelingsproces dat in de zin wordt uitgedrukt.[16]
Ik heb naar deze filosofie van de grammatica verwezen om te laten zien, hoezeer de taalinkortingen aanwijzingen zijn voor een denkinkorting, die zij op hun beurt weer versterken en bevorderen. De nadruk op de filosofische elementen in de grammatica, op de samenhang tussen het grammaticale, logische en ontologische ‘onderwerp’ werpt licht op de inhouden die in de functionele taal worden onderdrukt en uitgesloten van uitdrukking en communicatie. Inperking van het begrip in gefixeerde beelden, geremde ontplooiing in hypnotische formules die zichzelf geldig verklaren, het immuun zijn voor tegenspraak, identificatie van het ding (en de persoon) met zijn functie — al deze tendensen zijn een openbaring van de eendimensionale geest in de taal die hij spreekt. Als de omgang met de taal de ontplooiing der begrippen blokkeert, als hij zich verzet tegen abstractie en bemiddeling, als hij capituleert voor de directe feiten, weigert hij de factoren achter de feiten te erkennen en weigert zó de feiten en hun historische inhoud te erkennen. In en voor de samenleving is deze organisatie van functioneel taalgebruik van levensbelang; ze is de draagster van gelijkschakeling en subordinatie. De uniforme, functionele taal is een onverzoenlijk antikritische en antidialectische taal. Daarin slokt de operationele en behavioristische rationaliteit de transcendente, negatieve en oppositionele elementen der rede in zich op.
Ik zal deze elementen bespreken[17] onder het aspect van de spanning tussen ‘zijn’ en ‘behoren’, tussen wezen en verschijningsvorm, tussen potentialiteit en actualisering: het binnentreden van het negatieve in de positieve bepalingen van de logica. Deze volgehouden spanning doordringt de tweedimensionale wereld van het taalgebruik, nl. de wereld van het kritische, abstracte denken. De twee dimensies staan vijandig tegenover elkaar; de werkelijkheid heeft aan beide deel en de dialectische begrippen bevatten de werkelijke contradicties. In zijn eigen ontwikkeling kwam het dialectische denken tot het besef dat deze contradicties een historisch karakter hadden en dat hun bemiddelingsproces een historisch proces was. Zo scheen de ‘andere’ dimensie van het denken de historische te zijn — de potentialiteit als historische mogelijkheid en de verwerkelijking ervan als een historisch gebeuren.
Het onderdrukken van deze dimensie in de maatschappelijke wereld van operationele rationaliteit is een onderdrukken van de geschiedenis, en dat is geen academische, maar een politieke kwestie. Het is een onderdrukking van het eigen verleden van de samenleving — en van haar toekomst, voor zover deze toekomst de kwalitatieve verandering, de ontkenning van het heden oproept. Een wereld van taalgebruik waarin de categorieën van vrijheid verwisselbaar en zelfs identiek met hun tegenstellingen zijn geworden, maakt niet alleen gebruik van een taal als die van Orwell of Aesopus, maar zij verdringt en vergeet de historische werkelijkheid: het vreesaanjagende schrikbeeld van het fascisme, het idee van het socialisme, de allereerste voorwaarden voor de democratie, de inhoud van de vrijheid. Als een bureaucratische dictatuur de communistische samenleving bestuurt en bepaalt, als fascistische regimes hun rol spelen als partners in de Vrije Wereld, als het welvaartsprogram van het verlichte kapitalisme met succes wordt verworpen door er het etiket ‘socialisme’ op te plakken, als de grondslagen van de democratie zonder wanklank uit de democratie worden gelicht, betekent dit dat de oude historische begrippen van hun kracht zijn beroofd door moderne operationele herformuleringen. De herformuleringen zijn vervalsingen, die opgedrongen worden door de heersende machten en die der feiten die hand- en spandiensten verlenen aan het omvormen van leugens tot waarheid.
De functionele taal is een radicaal antihistorische taal: de operationele rationaliteit biedt weinig ruimte en toepassingskans voor de historische rede.[18] Is dit gevecht tegen de geschiedenis een onderdeel van de strijd tegen een dimensie van de geest waarin middelpuntvliedende vermogens en krachten tot ontplooiing zouden kunnen komen — vermogens en krachten waardoor de algehele gelijkschakeling van het individu met de samenleving belemmerd zou kunnen worden? De herinnering aan het verleden kan gevaarlijke inzichten doen ontstaan en de gevestigde samenleving schijnt de subversieve inhouden van het geheugen met argwaan te bekijken. Het in herinnering roepen is een soort dissociatie van de gegeven feiten, een soort ‘bemiddeling’, die gedurende korte ogenblikken de alomtegenwoordige macht der gegeven feiten doorbreekt. Het geheugen roept de vrees en de hoop die voorbij zijn, weer op. Beide komen weer tot leven, maar terwijl in de werkelijkheid de eerste steeds weer in nieuwe, vormen optreedt, blijft de laatste altijd hoop. En in de persoonlijke gebeurtenissen die uit het individuele geheugen naar boven komen, komen de angsten en aspiraties der mensheid door — het algemene in het bijzondere. Het is juist de geschiedenis, die de herinnering bewaart. Deze valt ten slachtoffer aan de totalitaire macht van de behavioristische wereld:
‘Het spookbeeld van een mensheid zonder herinnering ... is niet alleen maar een uitvloeisel van het verval ... maar het is noodzakelijkerwijs verbonden met het vooruitgangsidee van de bourgeoisie.’ ‘Economen en sociologen zoals bv. Werner Sombart en Max Weber hebben een correlatie gelegd tussen het principe van traditie en de feodale vormen van samenleving en tussen het principe van rationaliteit en de bourgeoisvormen. Dat betekent echter niet minder dan dat herinnering, tijd, geheugen door de bourgeoissamenleving in ontwikkeling geliquideerd worden als een soort irrationele rest ...’[19]
Als de voortschrijdende rationaliteit van de hoogindustriële samenleving geneigd is de ordeverstorende elementen tijd en geheugen als een ‘irrationele rest’ te liquideren, heeft ze ook de neiging de ordeverstorende rationaliteit, in deze irrationele rest vervat, te liquideren. Erkenning van en band met het verleden als heden werkt als een tegengif voor het functionaliseren van het denken in en door de gevestigde werkelijkheid. Het verzet zich tegen het afsluiten van de wereld van woord en gedrag; het maakt de ontplooiing van begrippen mogelijk, die de afgesloten wereld ontwortelt en transcendeert door haar als een historische wereld te zien. Geconfronteerd met de gegeven samenleving als object van haar reflectie wordt het kritische denken historisch bewustzijn; in deze hoedanigheid is het in wezen een oordeel.[20] Dit hoeft helemaal niet tot een indifferent relativisme te leiden, integendeel, het zoekt in de werkelijke geschiedenis van de mens naar de criteria voor waarheid en onwaarheid, voor vooruitgang en regressie.[21] Door de bemiddeling van het verleden naar het heden toe vindt men de factoren waardoor de feiten geschapen zijn, waardoor de leefwijze wordt bepaald, waardoor er meesters en knechten zijn opgetreden; door deze bemiddeling worden de grenzen en de alternatieven ontworpen. Wanneer dit kritische bewustzijn spreekt, spreekt het ‘le langage de la connaissance’ (Roland Barthes) die een afgesloten taalwereld en de versteende structuur daarvan openbreekt. De sleutelwoorden uit deze taal zijn geen hypnotische zelfstandige naamwoorden die eindeloos dezelfde vastgevroren predicaten oproepen. Zij bieden veeleer ruimte voor een ontplooiing in alle richtingen; zij ontvouwen zelfs hun inhoud in elkaar tegensprekende predicaten.
Het Communistisch Manifest geeft ons een klassiek voorbeeld. Hierin ‘regeren’ de twee sleutelwoorden, bourgeoisie en proletariaat, ieder voor zich elkaar tegensprekende predicaten. De ‘bourgeoisie’ is het subject van technische vooruitgang, bevrijding, overmeestering van de natuur, scheppen van maatschappelijke rijkdom én van de ontaarding en vernietiging van deze resultaten. Op gelijke wijze draagt het ‘proletariaat’ de attributen van totale onderdrukking én van de totale zege op de onderdrukking. Een dergelijke dialectische betrekking tussen tegenstellingen in en door de propositie wordt mogelijk, als men het subject beschouwt als een in de geschiedenis handelend wezen waarvan de identiteit vorm krijgt in en tegenover zijn historische praxis, in en tegenover zijn sociale werkelijkheid. Het taalgebruik ontvouwt het conflict tussen het ding en zijn functie en stelt dit vast; en dit conflict wordt in de taal tot uitdrukking gebracht in zinnen, waarin elkaar tegensprekende predicaten tot een logisch geheel worden verbonden — de begripsmatige tegenhanger van de objectieve werkelijkheid. In tegenstelling tot heel de taal die Orwell hanteert, wordt de tegenspraak aangetoond, expliciet gemaakt, verklaard en aan de kaak gesteld.
Ik heb de tegenstelling tussen de beide talen toegelicht aan de hand van de stijl van Marx’ theorie, maar niet alleen Marx’ stijl wordt gekenmerkt door deze kritische, cognitieve kwaliteiten. Deze kan men ook vinden (hoewel op verschillende wijzen) in de stijl van de belangrijke conservatieve en liberale kritiek op de zich ontplooiende bourgeoissamenleving. Zo is de taal van Burke en Tocqueville aan de éne, van John Stuart Mill aan de andere kant een uiterst bewijskrachtige, begrippelijke en ‘open’ taal die nog niet ten slachtoffer is gevallen aan de hypnotisch-rituele formules van het huidige neoconservatisme en neoliberalisme.
De autoritaire ritualisering van het taalgebruik valt echter meer op, als het de dialectische taal zelf aantast. De strenge eisen van de op concurrentie ingestelde industrialisatie en de totale onderwerping van de mens aan het productieapparaat komen aan het licht in de autoritaire omschakeling van Marx’ taal naar de stalinistische en poststalinistische taal. Deze eisen, zoals ze worden geïnterpreteerd door de leiders die het apparaat in handen hebben, bepalen wat goed en kwaad, waar en onwaar is. Zij laten tijd noch ruimte over voor een discussie waarin men ordeverstorende alternatieven naar voren zou kunnen brengen. Deze taal leent zich niet meer tot enig ‘discourse’. Ze spreekt feiten uit en kan deze dankzij de macht van het apparaat vastleggen — ze is een opsomming die zichzelf geldig verklaart. Hier[22] moet ik volstaan met een aanhaling en parafrase van de passage, waarin Roland Barthes haar magisch-autoritaire trekken schetst: ‘er is geen enkele tijdsruimte meer tussen de benaming en het oordeel, de afsluiting der taal is volledig ...’[23]
De afgesloten taal geeft geen bewijsvoering of verklaringen — zij deelt de beslissing, de uitspraak en het bevel mee. Waar ze een definitie geeft, wordt deze een ‘scheiding van goed en kwaad’; ze legt goed en kwaad onbetwistbaar vast en laat de éne waarde gelden als de rechtvaardiging van een andere waarde. Ze beweegt zich in tautologieën, maar de tautologieën zijn afgrijselijk doeltreffende ‘uitspraken’. Deze vellen een oordeel in een ‘bevooroordeelde vorm’; ze spreken een veroordeling uit. De ‘objectieve inhoud’, d.w.z. de definitie van termen als ‘deviationist’, ‘revisionist’ komt uit het wetboek van strafrecht en zo’n soort bekrachtiging bevordert een bewustzijn waarvoor de taal van de heersende machten de taal van de waarheid is.[24]
Ongelukkig genoeg houdt het hier niet mee op. De productieve groei van de gevestigde communistische samenleving veroordeelt eveneens de vrijzinnige communistische oppositie; de taal, die de oorspronkelijke waarheid weer op tracht te roepen en te bewaren, valt ten slachtoffer aan haar ritualiseren. Waar het taalgebruik (en het handelen) steunt op termen als ‘het proletariaat’, ‘arbeidersraden’ en de ‘dictatuur van het stalinistische apparaat’, gaat het steunen op rituele formules daar, waar het ‘proletariaat’ niet meer of nog niet bestaat, waar directe controle ‘van onder af’ belemmerend zou werken op de vooruitgang van de massaproductie en waar de strijd tegen de bureaucratie de doeltreffendheid van de enige werkelijke kracht die op internationale schaal tegen het kapitalisme ingezet kan worden, zou afzwakken. Hier wordt er streng aan het verleden vastgehouden, maar er wordt geen bemiddeling naar het heden toe geboden. Men stelt zich op tegenover de begrippen die eens een historische situatie omschreven, zonder ze voor de huidige situatie uit te werken — men blokkeert de dialectiek ervan.
De ritueel-autoritaire taal verspreidt zich over de hedendaagse wereld door democratische en niet-democratische, door kapitalistische en niet-kapitalistische landen.[25] Volgens Roland Barthes is het de taal ‘propre à tous les régimes d’autorité’; en bestaat er heden ten dage in de kring der hoogindustriële beschaving een samenleving die niet onder een autoritair regime staat? Daar het wezen der verschillende regimes niet meer tot uiting komt in alternatieve leefwijzen, komt het in alternatieve manipulatie- en controletechnieken te liggen. De taal is niet alleen een afspiegeling van dit controlesysteem maar wordt zelf een controle-instrument, zelfs daar waar zij geen bevelen maar informatie overbrengt, daar waar zij geen gehoorzaamheid maar keuze, geen onderwerping maar vrijheid vraagt.
Deze taal oefent controle uit door de linguïstische vormen en symbolen van reflectie, abstractie, uitwerking en tegenspraak te reduceren, door beelden in plaats van begrippen te geven. Ze ontkent of absorbeert de transcendente woordenschat; ze zoekt niet naar waarheid en onwaarheid, maar legt deze vast en dringt ze op. Maar dit soort taalgebruik werkt zonder terreur. Er schijnt geen enkele reden te bestaan om aan te nemen dat de toehoorders geloven of gedwongen worden te geloven wat hun verteld wordt. Het nieuwe karakter van de magisch-rituele taal is veeleer dat de mensen het niet geloven of er zich niet voor interesseren maar er toch naar handelen. Men ‘gelooft’ de uiteenzetting van een operationeel begrip niet, maar deze rechtvaardigt zichzelf in de actie — door het feit dat het werk gedaan wordt, dat er gekocht en verkocht wordt, dat men weigert naar anderen te luisteren enz.
Nu de taal van de politiek steeds meer gaat lijken op advertentietaal en zo de kloof tussen twee vroeger geheel verschillende gebieden van de samenleving overbrugt, ziet het er naar uit dat deze tendens tot uitdrukking brengt, hoezeer overheersing en bestuur als afzonderlijke en onafhankelijke functies uit de technologische samenleving verdwenen zijn. Dit betekent niet, dat de macht van de beroepspolitici is afgenomen. Het tegendeel is het geval. Hoe meer wereldomvattend de uitdaging is die zij opbouwen om haar tegen te komen, hoe normaler een nabije toekomst van totale vernietiging is, des te vrijer zullen ze staan tegenover doeltreffende volkssoevereiniteit. Maar hun overheersing is ingebed in de dagelijkse bezigheden en in de ontspanning van de burgers en de ‘symbolen’ van de politiek zijn tevens die van het zakenleven, de handel en het vermaak.
De lotgevallen van de taal vinden hun parallel in de lotgevallen van het politieke gedrag. Bij de verkoop van ontspannings- en vermaaksartikelen voor de schuilkelder en in de televisieshow van de kandidaten in de verkiezingsstrijd om het nationale leiderschap, is het samengaan van politiek, zakenleven en vermaak compleet. Maar dit samengaan is bedrieglijk en op fatale wijze prematuur — het zakenleven en het vermaak staan nog steeds onder de overheersingspolitiek. Dit is geen saterspel na de tragedie; het is niet finis tragoediae — de tragedie kan nu pas beginnen. En wederom: niet de held, maar het volk zal het rituele slachtoffer zijn.
Functionele communicatie is slechts de buitenste schil van de eendimensionale wereld waarin de mens gedrild wordt om te vergeten, — om het negatieve in het positieve te vertalen zodat hij kan blijven functioneren, — gereduceerd maar gezond en redelijk wel. De instituties van vrije meningsuiting en vrijheid van denken staan de mentale gelijkschakeling met de gevestigde werkelijkheid niet in de weg. Wat hier plaats vindt, is een grondige hérformulering van het denken zelf, van zijn functie en inhoud. De gelijkschakeling van het individu met zijn samenleving reikt tot in die lagen van de geest, waarin juist die begrippen uitgewerkt worden, die bedoeld zijn de gevestigde werkelijkheid te begrijpen. Deze begrippen worden uit de intellectuele traditie genomen en in operationele termen vertaald — deze vertaling heeft tot gevolg, dat de spanning tussen denken en werkelijkheid wordt verminderd doordat de negatieve kracht van het denken wordt afgezwakt. Dit is een filosofische ontwikkeling en om te laten zien hoezeer dit een breuk met de traditie betekent, zal de analyse steeds meer abstract en ideologisch moeten worden. Juist in de sfeer die het verst verwijderd ligt van de concrete samenleving, komt het duidelijkst aan het licht, hoezeer de samenleving het denken heeft overmeesterd. Bovendien zal de analyse terug moeten grijpen op de geschiedenis van de filosofische traditie en moeten trachten de tendensen die tot de breuk hebben geleid, aan te wijzen. Ik zal echter, voordat ik aan de filosofische analyse begin, als overgang naar het meer abstracte en theoretische terrein, in het kort twee (voor mij zeer representatieve) voorbeelden uit het tussenliggende gebied van empirisch onderzoek bespreken, voorbeelden die direct betrekking hebben op bepaalde omstandigheden, die karakteristiek zijn voor de hoogindustriële samenleving. Taal- of denk-, woord- of begripsproblemen; linguïstische of epistemologische analyse — de zaak die besproken zal worden, verzet zich tegen zulke puur academische onderscheidingen. De scheiding van een zuivere taalanalyse en een begripsanalyse is op zich al een uiting van de heroriëntering van het denken, zoals de volgende hoofdstukken zullen trachten aan te tonen. Voor zover de onderstaande kritiek op het empirisch onderzoek wordt ondernomen als voorbereiding op een daarop aansluitende filosofische analyse — en in het licht daarvan gezien —, moge eerst een opmerking omtrent het gebruik van de term ‘begrip’ die als leidraad voor de kritiek fungeert, als inleiding dienst doen.
‘Begrip’ wordt gebruikt om de geestelijke voorstelling aan te duiden van iets dat als resultaat van een proces van reflectie wordt begrepen, doorgrond en gekend. Dit iets kan een gewoon gebruiksvoorwerp zijn, een situatie, een samenleving of een roman. In ieder geval, als ze omvat (‘begriffen; auf ihren Begriff gebracht’) zijn, zijn ze objecten van denken geworden en als zodanig zijn hun inhoud en betekenis identiek met en toch verschillend van de werkelijke objecten van de onmiddellijke ervaring. ‘Identiek’ in zoverre het begrip hetzelfde ding aanduidt, ‘verschillend’ in zoverre het begrip het resultaat is van een reflectie, die het ding in de samenhang (en in het licht) van andere dingen begrepen heeft, die niet in de onmiddellijke ervaring verschijnen en die het ding ‘verklaren’ (bemiddeling).
Dat het begrip nooit één bepaald concreet ding aanduidt, dat het altijd abstract en algemeen is, vindt zijn oorzaak in het feit dat het begrip meer en iets anders dan een bepaald ding omvat: een universele toestand of betrekking die wezenlijk is voor het bepaalde ding, die de vorm waarin het als concreet ervaringsobject verschijnt, bepaalt. Als het begrip van iets concreets het product is van geestelijke classificatie, ordening en abstrahering, leiden deze geestesprocessen alleen tot een begrijpen in zoverre zij het bepaalde ding in zijn universele toestand of betrekking reconstitueren en zodoende zijn onmiddellijke verschijning transcenderen in de richting van zijn werkelijkheid.
Bijgevolg hebben alle kenbegrippen een transitieve zin: ze gaan verder dan een descriptieve verwijzing naar afzonderlijke feiten. Als die feiten de samenleving betreffen, gaan de kenbegrippen ook boven iedere particuliere context van de feiten uit naar de processen en toestanden waarop de betrokken samenleving rust en die in alle afzonderlijke feiten binnentreden en daarbij de samenleving maken, in stand houden en breken. Dankzij deze verwijzing naar deze historische totaliteit transcenderen de kenbegrippen iedere operationele context, maar hun transcendentie is empirisch omdat men er de feiten in hun werkelijke hoedanigheid door kan herkennen. Het betekenisoverschot dat verder en dieper gaat dan het operationele begrip, werpt licht op de beperkte en zelfs bedrieglijke vorm waaronder het toegestaan is de feiten te ervaren. Vandaar de spanning, de discrepantie, het conflict tussen het begrip en het onmiddellijke feit — het concrete ding; tussen het woord dat naar het begrip verwijst en dat wat naar de dingen verwijst. Vandaar de notie van de ‘werkelijkheid van het universele’. Vandaar ook het onkritische, zich aanpassende karakter van die denkwijzen die begrippen behandelen als gedachtespinsels en universele begrippen vertalen in termen met particuliere, objectieve verwijzingen.
Waar deze gereduceerde begrippen de analyse van de menselijke werkelijkheid, individueel of sociaal, mentaal of materieel leiden, voeren zij tot een onechte concreetheid — een concreetheid die los staat van de condities die haar werkelijkheid uitmaken. In deze context krijgt de operationele behandeling van het begrip een politieke functie. Het individu en zijn gedrag worden met een therapeutisch doel geanalyseerd: aanpassing aan zijn samenleving. Denken en uitdrukken, theorie en praktijk moeten in overeenstemming worden gebracht met de feiten uit zijn bestaan, zonder dat er voor een begrippelijke kritiek op deze feiten ruimte overblijft.
Het therapeutisch karakter van het operationele begrip komt het duidelijkst aan het licht, waar het begrippelijke denken methodisch in dienst wordt gesteld van het onderzoek naar en verbetering van de bestaande sociale toestanden binnen het kader van de bestaande maatschappelijke instituties: in industriële sociologie, studies over motivatieonderzoek, marketing en openbare mening. Als de bestaande maatschappijvorm het laatste referentiekader voor theorie en praktijk is en blijft, dan is er niets aan te merken op dit soort sociologie en psychologie. Het is menselijker en productiever goede betrekkingen tussen arbeiders en bedrijfsleiding te hebben in plaats van slechte; aangename arbeidsvoorwaarden te hebben in plaats van onaangename, harmonie in plaats van conflict te hebben tussen de verlangens der klanten en de behoeften van zakenleven en politiek.
Maar de redelijkheid van dit soort sociale wetenschap verschijnt in een ander licht, als de bestaande samenleving die als referentiekader blijft dienen, het object wordt van een kritische theorie die zich juist richt op de structuur van deze samenleving, die in alle afzonderlijke feiten en toestanden aanwezig is en hun plaats en functie bepaalt. Dan wordt het ideologisch en politiek karakter ervan zichtbaar en vraagt de uitwerking van adequate kenbegrippen, dat men boven de bedrieglijke concreetheid van het positivistische empirisme uitkomt. Het therapeutische en operationele begrip wordt in die mate onwaar waarin het de feiten isoleert, atomiseert en binnen het repressieve geheel vastlegt en waarin het de termen van dit geheel aanvaardt als de termen van de analyse. De methodologische vertaling van het universele in het operationele begrip wordt dan een repressieve reductie van het denken.[26]
Ik zal als voorbeeld een ‘klassiek’ werk uit de industriële sociologie nemen: de studie over de arbeidsverhoudingen in de Hawthornefabrieken van de Western Electric Company.[27] Het is een oudere studie, ongeveer een kwart eeuw geleden opgezet; sindsdien zijn de methoden veel verfijnder geworden. Maar volgens mij zijn hun wezen en functie dezelfde gebleven. Bovendien heeft deze denkwijze zich sindsdien niet alleen verbreid in de andere takken van de sociale wetenschappen en in de filosofie, maar ze heeft ook bijgedragen tot het vormen van de menselijke subjecten waarop ze betrokken is. De operationele begrippen lopen uit op methoden voor betere sociale controle: ze worden een deel van de wetenschap van de bedrijfsvoering, Afdeling Menselijke Betrekkingen. In Labor Looks at Labor komen de volgende woorden van een arbeider uit de automobielindustrie voor: De bedrijfsleidingen ‘konden ons niet verbieden demonstraties te houden; ze konden ons niet met geweld in bedwang houden en daarom zijn ze de “menselijke relaties” op het economische, sociale en politieke terrein gaan bestuderen om er achter te komen hoe ze de vakbonden tegen kunnen houden.’
Toen de onderzoekers dieper ingingen op de klachten der arbeiders over arbeidsvoorwaarden en lonen, stootten zij op het feit dat de meeste van deze klachten onder woorden waren gebracht in beweringen, die ‘vage, ongedefinieerde termen’ bevatten, die een ‘objectieve verwijzing’ naar ‘maatstaven die algemeen aanvaard worden’ misten en die gekenmerkt werden door ‘wezenlijke verschillen met de eigenschappen die meestal verbonden worden met gewone feiten.’[28] M.a.w. de klachten waren onder woorden gebracht in algemene beweringen zoals ‘de washokken zijn onhygiënisch’, ‘het werk is gevaarlijk’, ‘de stuklonen zijn te laag’.
Geleid door het beginsel van het operationele denken begonnen de onderzoekers deze beweringen zó te vertalen of te herformuleren, dat hun vage algemeenheid teruggebracht kon worden tot bijzondere verwijzingen, tot termen die een bepaalde situatie waarin de klacht zijn oorsprong vond, omschreven en zo ‘de omstandigheden in de fabriek nauwkeurig’ in beeld brachten. De algemene vorm werd opgelost in beweringen die de afzonderlijke handelingen en omstandigheden waaruit de klacht voortvloeide, aanwezen en de klacht werd verholpen door deze handelingen en omstandigheden te veranderen. De bewering bv. ‘de washokken zijn onhygiënisch’ werd vertaald in ‘bij die en die gelegenheid ging ik dit washok binnen en de wasbak was wat smerig’. Door ondervragingen werd vastgesteld, dat dit ‘hoofdzakelijk te wijten was aan de zorgeloosheid van enkele werknemers’, men begon een actie tegen het laten slingeren van papier, het spuwen op de vloer en soortgelijke praktijken en iemand kreeg de vaste opdracht voor de waslokalen te zorgen. ‘Op deze manier kregen vele klachten een nieuwe interpretatie en gaven de stoot voor verbeteringen.’[29]
Een ander voorbeeld: arbeider B komt met de algemene bewering, dat de stuklonen voor zijn werk te laag zijn. In het interview komt naar voren dat ‘zijn vrouw in het ziekenhuis ligt en dat hij zich zorgen maakt over de doktersrekeningen, die hij zal moeten betalen. In dit geval bestaat de latente inhoud van de klacht uit het feit, dat B’s huidige inkomsten door de ziekte van zijn vrouw niet toereikend zijn om zijn lopende financiële verplichtingen na te komen.’[30]
Een dergelijke vertaling verandert de betekenis van de feitelijke stelling ingrijpend. De niet-vertaalde bewering formuleert een algemene toestand in zijn algemeenheid (‘de lonen zijn te laag’). Dit gaat verder dan die bepaalde toestand in die bepaalde fabriek en verder dan die bepaalde situatie van die arbeider. In deze algemeenheid, en alleen in deze algemeenheid, brengt de bewering een diepgaande aanklacht onder woorden, waarbij het afzonderlijke geval wordt genomen als een symptoom voor een algemene gang van zaken en waarin te verstaan wordt gegeven, dat deze laatste wel eens niet zou kunnen veranderen, als het afzonderlijke geval wordt verbeterd.
Zodoende legde de niet-vertaalde bewering een concrete betrekking tussen het afzonderlijke geval en het geheel waarin dit één geval is — en dit geheel omvat tevens de omstandigheden buiten het betreffende werk, buiten de betreffende fabriek, buiten de betreffende persoonlijke situatie. Dit geheel wordt in de vertaling geëlimineerd en juist deze operatie maakt de genezing mogelijk. De arbeider hoeft zich hier niet van bewust te zijn en voor hem kan zijn klacht inderdaad die bijzondere en persoonlijke betekenis hebben, die de vertaling eruit pikt als de ‘latente inhoud’ ervan. Maar toch doet tegen zijn bewustzijn in de taal, die hij gebruikt, de objectieve geldigheid ervan voelen — ze drukt toestanden uit die bestaan, alhoewel niet ‘voor hem’. De concreetheid van het afzonderlijk geval die door het vertalen wordt verkregen, is het resultaat van een reeks abstracties van zijn werkelijke concreetheid, die in het algemene karakter van het geval ligt. Het vertalen legt een verband tussen de algemene bewering en de persoonlijke ervaring van de arbeider die hem stelt, maar blijft staan voor het punt, waarop de individuele arbeider zich ‘arbeider’ voelt en waarop zijn werk de gedaante aanneemt van het ‘werk’ van de arbeidersklasse. Is het noodzakelijk er op te wijzen, dat de operationele onderzoeker in zijn vertalingen alleen maar het proces van de werkelijkheid volgt en waarschijnlijk zelfs de vertalingen van de arbeider zelf? Aan de niet-ontplooide beleving heeft hij geen schuld en het is niet zijn functie in termen van een kritische theorie te denken, maar opzichters op te leiden ‘zodat zij menselijker en doelmatiger met hun arbeiders omgaan.’[31] (Alleen de term ‘menselijk’ is schijnbaar niet-operationeel en heeft behoefte aan een analyse).
Maar naarmate deze wijze van denken en onderzoek door de bedrijfsleiding zich verbreidt over andere dimensies van de intellectuele activiteit, kan men de diensten die ze bewijst, steeds minder los van de wetenschappelijke geldigheid ervan zien. In deze context heeft functionalisering een echte therapeutische werking. Als maar eenmaal de individuele ontevredenheid afgezonderd is van de algemene onvrede, als maar eenmaal de universele begrippen die zich verzetten tegen dit functionaliseren, opgelost zijn in afzonderlijke verwijzingen, wordt het geval een behandelbaar en hanteerbaar voorval.
Natuurlijk blijft het geval binnen het raam van iets universeels — geen enkele denkwijze kan het zonder universalia stellen — maar dan van een soort dat heel verschillend is van wat in de niet-vertaalde bewering wordt bedoeld. Als er eenmaal gezorgd is voor de doktersrekeningen, zal de arbeider B erkennen, dat in het algemeen gesproken de lonen niet te laag zijn en dat ze slechts in zijn individuele situatie (die kan lijken op andere individuele situaties) tot gebrek konden leiden. Zijn geval is ondergebracht bij een andere categorie: de persoonlijke noodgevallen. Hij is geen ‘arbeider’ of ‘werknemer’ (behorend tot een klasse) meer, maar de arbeider of werknemer B in de Hawthornefabriek van de Western Electric Company.
De auteurs van Management and the Worker waren zich van deze implicatie wél bewust. Zij zeggen dat één van de fundamentele functies die in een industriële organisatie vervuld moeten worden, ‘de specifieke functie van het personeelswerk’ is en deze functie vereist dat men, wanneer het over betrekkingen tussen werkgever en werknemer gaat, ‘denken moet aan wat een of andere bepaalde werknemer bezighoudt in termen van een arbeider die een bepaalde persoonlijke geschiedenis achter zich heeft’, of ‘in termen van een werknemer wiens werk aan een bepaalde plaats in de fabriek verbonden is waardoor hij te maken krijgt met bepaalde personen en groepen mensen ...’ In tegenstelling hiermee verwerpen de auteurs als onverenigbaar met de ‘specifieke functie van het personeelswerk’ een houding die zich richt op de ‘gemiddelde’ of ‘typische’ werknemer of op datgene ‘wat de arbeider in het algemeen bezig houdt.’[32]
We kunnen deze voorbeelden samenvatten door de oorspronkelijke beweringen te stellen tegenover de vertalingen ervan in de functionele vorm. In beide gevallen zullen we aannemen dat de beweringen voldoende bewezen zijn en laten we het probleem van haar verificatie buiten beschouwing.
1) ‘De lonen zijn te laag.’ Het onderwerp van de zin is ‘de lonen’, niet de bepaalde beloning van een bepaalde arbeider met een bepaald werk. De man die de uitspraak doet, denkt misschien alleen aan zijn individuele ervaring, maar door de vorm die hij aan zijn bewering geeft, transcendeert hij deze individuele ervaring. Het predicaat ‘te laag’ is een relationele bijvoeglijke bepaling, die een norm insluit welke niet wordt genoemd in de zin — te laag voor wie of waarvoor? Deze norm kan weer zijn het individu dat de bewering uit, of zijn medearbeiders op het werk, maar het algemene zelfstandige naamwoord (de lonen) draagt de gehele gedachtegang die in de zin tot uitdrukking komt en laat de andere delen van de zin aan het algemene karakter deel hebben. De norm blijft onbepaald — ‘te laag in het algemeen’ of ‘te laag voor iedereen die, zoals de spreker, loontrekker is’. De zin is abstract. Ze verwijst naar algemene omstandigheden die door geen enkel afzonderlijk geval vervangen kunnen worden; de betekenis ervan is ‘transitief’, wat nooit zo is bij een afzonderlijk geval. De zin verlangt inderdaad een ‘vertaling’ in een meer concrete context, maar dan een context waarin de universele begrippen niet gedefinieerd kunnen worden door een bijzondere reeks operaties (zoals de persoonlijke geschiedenis van de arbeider B en zijn speciale functie in de fabriek W). Het begrip ‘lonen’ verwijst naar de groep ‘loontrekkers’ en integreert daarbij alle persoonlijke geschiedenissen en speciale baantjes in één concreet universale.
2) ‘B’s huidige inkomsten zijn door de ziekte van zijn vrouw niet toereikend om zijn lopende verplichtingen na te komen.’ Merk op, dat in deze vertaling van 1) het onderwerp enigszins is gewijzigd. Het universele begrip ‘lonen’ is vervangen door ‘B’s huidige inkomsten’, waarvan de betekenis uitputtend gedefinieerd is door een bepaalde reeks operaties die B moet stellen om zijn gezin voedsel, kleding, onderdak, medicijnen enz. te verschaffen. Het ‘transitieve’ karakter van de betekenis is verdwenen; de groep ‘loontrekkers’ is tegelijkertijd met het onderwerp ‘lonen’ verdwenen en wat er overblijft, is een afzonderlijk geval dat, ontdaan van zijn transitieve betekenis, vatbaar wordt voor de algemeen aanvaarde behandelingsnormen van het bedrijf waaronder het geval valt.
Wat is daar nu verkeerd aan? Niets. De vertaling van de begrippen en van de zin in zijn geheel wordt als geldig geaccepteerd door de samenleving waar de onderzoeker zich tot richt. De therapie werkt omdat de fabriek of regering het zich kan veroorloven tenminste een belangrijk deel van de kosten te dragen, omdat zij daartoe bereid zijn en omdat de patiënt bereid is zich aan een behandeling te onderwerpen die een succes belooft te worden. De vage, onbepaalde, universele begrippen die in de niet-vertaalde klacht voorkwamen, waren inderdaad resten uit het verleden; het voortbestaan ervan in spreken en denken was inderdaad een struikelblok (hoewel onbelangrijk) voor begrip en samenwerking. Voor zover de operationele sociologie en psychologie ertoe hebben bijgedragen onmenselijke omstandigheden te verlichten, behoren ze tot de intellectuele en materiële vooruitgang. Tevens echter leggen ze getuigenis af van de ambivalente rationaliteit van de vooruitgang die in haar repressieve kracht tevredenstelt en in haar bevredigingen repressief is.
De eliminatie van de transitieve betekenis is een kenmerk van de empirische sociologie gebleven. Ze karakteriseert zelfs een groot aantal studies die niet bestemd zijn om een therapeutische functie in een of ander particulier belang te vervullen. Het gevolg: is eenmaal het ‘niet-realistische’ betekenisoverschot afgeschaft, dan is het onderzoek ingesloten binnen de omvattende ruimte waarin de gevestigde samenleving proposities geldig of ongeldig verklaart. Op grond van zijn methodologie is dit empirisme ideologisch. Om dit ideologisch karakter te illustreren, zullen we even aandacht schenken aan een studie over de politieke activiteit in de VS.
Morris Janowitz en Dwaine Marvick willen in hun verhandeling Competitive Pressure and Democratic Consent ‘bepalen in hoeverre een verkiezing een daadwerkelijke uitdrukking is van het democratisch proces. Een dergelijke bepaling brengt een evaluatie met zich mee van het verkiezingsproces ‘met het oog op de vereisten voor het in stand houden van een democratische samenleving’ en dit vraagt op zijn beurt een definitie van ‘democratisch’. De auteurs bieden de keus tussen twee alternatieve definities: de ‘mandaats-’ en de ‘mededingingstheorie’ van de democratie.
‘De “mandaats”-theorieën, die hun oorsprong vinden in de klassieke opvattingen omtrent democratie, postuleren, dat het proces van vertegenwoordiging voortvloeit uit een nauw omschreven aantal richtlijnen die de kiezers aan hun vertegenwoordigers opleggen. Een verkiezing is een geschikte procedure en een methode om de zekerheid te verkrijgen dat de vertegenwoordigers zich richten naar de richtlijnen van de kiezers.’[33]
Welnu, deze ‘vooropgezette mening’ werd ‘bij voorbaat verworpen als niet-realistisch, omdat ze een uitgesproken mening en ideologie over de verkiezingspunten vooronderstelt op zo’n hoog peil, dat dit hoogstwaarschijnlijk niet in de VS gevonden zal worden.’ Deze nogal vrijmoedige vaststelling van de feiten wordt enigszins verzacht door de geruststellende twijfel ‘of een uitgesproken mening op een dergelijk peil ooit bij enig democratisch electoraat heeft bestaan sinds de uitbreiding van het stemrecht in de negentiende eeuw.’ In ieder geval accepteren de auteurs, in plaats van de verworpen vooropgezette opvatting, de ‘mededingingstheorie’ van de democratie volgens welke een democratische verkiezing een proces is ‘van selectie en afwijzing van kandidaten’ die ‘dingen naar een openbaar ambt’. Deze definitie heeft om werkelijk operationeel te zijn ‘criteria’ nodig volgens welke de aard van de politieke mededinging wordt vastgesteld. Wanneer leidt politieke mededinging tot een ‘proces van instemming’ en wanneer tot een ‘proces van manipulatie’? Men geeft hiervoor drie criteria:
1) Voor een democratische verkiezing is de mededinging vereist tussen oppositionele kandidaten die in het gehele kiesdistrict doordringt. De kiezers ontlenen hun macht aan hun vermogen tussen tenminste twee concurrerende kandidaten, die ieder volgens de openbare mening een redelijke kans maken om te winnen, te kiezen.
2) Voor een democratische verkiezing is het vereist dat beide [!] partijen zich even hard inspannen om de gevestigde kiezersaanhang te behouden, om onafhankelijke kiezers te winnen en om in de oppositiepartijen bekeerlingen te maken.
3) Voor een democratische verkiezing is het vereist dat beide [!] partijen zich geheel inzetten om de lopende verkiezing te winnen; maar onafhankelijk van winst of verlies moeten beide partijen eveneens trachten hun kansen op succes in de volgende en daaropvolgende verkiezingen te vergroten ... [34]
Ik geloof dat deze definities tamelijk nauwkeurig de feitelijke gang van zaken beschrijven bij de Amerikaanse verkiezingen van 1952, die het voorwerp van de analyse zijn. M.a.w., de criteria om een gegeven stand van zaken te beoordelen zijn die welke opkomen uit (ofwel, daar ze bij een goed functionerend en stevig gevestigd maatschappelijk systeem behoren, opgelegd worden door) de gegeven stand van zaken. De analyse is ‘afgegrendeld’; het beoordelingsgebied wordt ingeperkt binnen een context van feiten die een oordeel uitsluit óver de context, waarin de feiten gemaakt worden, door de mens gemaakt worden en waarin hun zin, functie en ontwikkeling bepaald worden. Aan dit kader gebonden draait het onderzoek in een cirkel rond en verklaart het zichzelf geldig. Als ‘democratisch’ in de beperkende maar realistische termen van het feitelijke verkiezingsproces wordt gedefinieerd, dan is dit proces reeds vóór de resultaten van het onderzoek democratisch. Natuurlijk geeft het operationele kader nog steeds de gelegenheid (en vraagt hier zelfs om) om onderscheid te maken tussen instemming en manipulatie; de verkiezing kan meer of minder democratisch zijn volgens de vastgestelde graad van instemming en manipulatie. De auteurs komen tot de conclusie, dat de verkiezing in 1952 ‘in grotere mate gekenmerkt werd door een proces van werkelijke instemming dan schattingen, op indrukken gebaseerd, gesuggereerd zouden hebben’[35] — hoewel het een ‘ernstige vergissing’ zou zijn, als men de ‘barrières’ voor de instemming over het hoofd zou zien en als men zou ontkennen dat ‘er manipulerende druk was uitgeoefend’.[36] Verder dan deze nauwelijks verhelderende opmerking kan de operationele analyse niet gaan. M.a.w., ze kan niet de beslissende vraag stellen, of de instemming zelf niet het werk was van manipulatie — een vraag die door de feitelijke gang van zaken ruimschoots gerechtvaardigd wordt. De analyse kan deze vraag niet stellen, omdat ze dan haar termen naar een transitieve betekenis toe transcendeert — naar een opvatting over democratie, die de democratische verkiezing zou laten zien als een nogal beperkt democratisch proces.
Juist zo’n niet-operationele opvatting wordt door de auteurs als ‘niet-realistisch’ verworpen omdat ze de democratie op een te hoogstaand niveau definieert als de nauw omschreven controle van de vertegenwoordigers door de kiezers — volkscontrole als volkssoevereiniteit. En dit niet-operationele begrip komt echt niet van buitenaf. Het is echt geen hersenschim, door inbeelding of speculatie opgeroepen, maar definieert veeleer de historische bedoeling der democratie, de omstandigheden waarvoor de strijd om de democratie werd gestreden en die nog steeds geen werkelijkheid zijn.
Bovendien is dit begrip onberispelijk in zijn semantische nauwkeurigheid, omdat het precies bedoelt wat het zegt — nl. dat het werkelijk de kiezers zijn, die hun richtlijnen aan de vertegenwoordigers opleggen en niet de vertegenwoordigers, die hun richtlijnen aan de kiezers geven die daarna de vertegenwoordigers uitkiezen en herkiezen. Autonome kiezers, vrij omdat ze vrij zijn van indoctrinatie en manipulatie, zouden zich inderdaad op een ‘niveau’ bevinden van een uitgesproken mening en ideologie, dat men hoogstwaarschijnlijk nergens zal aantreffen. Daarom moet het begrip als ‘niet-realistisch’ van de hand gewezen worden — móet het wel verworpen worden als men het feitelijk heersende niveau van mening en ideologie aanvaardt alsof ze de geldige criteria voor een sociologische analyse voorschrijven. En als indoctrinatie en manipulatie het stadium hebben bereikt, waarin het gangbare peil van de opinie een peil van onwaarheid is geworden, waarin de feitelijke stand van zaken niet meer wordt gezien voor wat zij is, dan bindt een analyse die zich in haar methodologie heeft gebonden aan een afwijzing van transitieve begrippen, zich aan een onecht bewustzijn. Juist haar empirisme is ideologisch.
De auteurs zijn zich van deze moeilijkheden wél bewust. ‘Ideologische starheid’ betekent een ‘ernstige implicatie’ bij het bepalen van de graad van de democratische instemming. Inderdaad, instemming waarmee? Met de politieke kandidaten en hun politiek natuurlijk. Maar dit is niet voldoende want dan zou instemming met een fascistisch regime (en men kan van een werkelijke instemming met zo’n regime spreken) een democratisch proces zijn. De instemming zelf moet dus ook beoordeeld worden — beoordeeld met betrekking tot haar inhoud, doelstellingen en ‘waarden’ — en deze stap schijnt het transitieve karakter van de betekenis met zich mee te brengen. Een dergelijke ‘onwetenschappelijke’ stap kan echter vermeden worden als de ideologische gerichtheid die beoordeeld moet worden, geen andere is dan die van de beide bestaande en ‘doeltreffend’ met elkaar strijdende partijen, plus de ‘ambivalent-geneutraliseerde’ gerichtheid van de kiezers.[37] De tabel die de resultaten geeft van een opinieonderzoek naar ideologische gerichtheid, omvat drie graden van instemming met de republikeinse en democratische partijideologieën en met de ‘ambivalente en geneutraliseerde’ meningen.[38] Er worden geen vragen gesteld over de gevestigde partijen zelf, over hun politieke praktijken en machinaties, noch worden er vragen gesteld over het feitelijk uiteenlopen van hun meningen over vitale kwesties (zoals de atoompolitiek en de algehele paraatheid). Toch schijnen deze vragen essentieel te zijn bij een beoordeling van de democratische processen, tenzij de analyse werkt met een begrip van democratie waarin alleen maar de kenmerken van de gevestigde vorm van de democratie zijn ondergebracht. Het is niet zo dat een dergelijk operationeel begrip in geen enkel opzicht voldoet voor het onderwerp van het onderzoek. Het werpt een helder licht op de kwaliteiten waardoor men in de hedendaagse periode democratische en niet-democratische systemen van elkaar kan onderscheiden (bv. doeltreffende strijd tussen kandidaten die verschillende partijen vertegenwoordigen; vrijheid van de kiezers om tussen deze kandidaten te kiezen); maar deze geschiktheid voldoet niet meer als de taak van de theoretische analyse meer omvat, iets anders is dan een loutere beschrijving — als het zaak wordt de feiten te begrijpen, te herkennen voor wat ze zijn, wat ze ‘betekenen’ voor hen die ze als feiten gekregen hebben en die er mee moeten leven. In de sociale theorie is een herkennen van de feiten een kritiek op de feiten.
Maar operationele begrippen zijn zelfs niet voldoende om de feiten te beschrijven. Ze bereiken slechts bepaalde aspecten en segmenten van de feiten die, als ze voor het geheel worden aangezien, de beschrijving van zijn objectieve, empirische karakter beroven. Laten we bv. eens het begrip ‘politieke activiteit’ onder de loep nemen uit de studie Political Activity of American citizens van Julian L. Woodward en Elmo Roper.[39] De auteurs leggen een ‘operationele definitie van de term politieke activiteit’ voor die bestaat uit ‘vijf gedragswijzen’: 1) het uitbrengen van hun stem 2) het steun geven aan mogelijke pressiegroepen ... 3) het persoonlijk en direct contact onderhouden met de wetgevers 4) het meedoen aan politieke partijactiviteiten ... 5) het meedoen aan regelmatige verspreiding van politieke meningen door middel van mondelinge communicatie ...
Zeker, dit zijn ‘kanalen tot mogelijke invloed op wetgevers en regeringsambtenaren’, maar kan het meten hiervan werkelijk voorzien in ‘een methode om de mensen die in verband met nationale politieke kwesties relatief genomen actief zijn, te scheiden van hen die relatief genomen niet-actief zijn’? Sluiten ze ook doorslaggevende activiteiten ‘in verband met nationale kwesties’ in, zoals de technische en economische contacten tussen de grote concerns en de regering of tussen de voornaamste concerns onderling? Sluiten ze ook het formuleren en verbreiden in van ‘niet-politieke’ meningen, informatie en vermaak door de grote publiciteitsmedia? Houden ze rekening met de zeer uiteenlopende maten van politieke invloed van de verscheidene organisaties, die ten aanzien van openbare kwesties een standpunt innemen?
Als het antwoord negatief is (zoals ik geloof), dan zijn de feiten van de politieke activiteiten niet adequaat beschreven en vastgelegd. Vele, naar mijn mening doorslaggevende, bepalende feiten blijven buiten het bereik van het operationele begrip. En op grond van die beperking — door dit strenge methodologische verbod van transitieve begrippen die een juist licht op de feiten zouden kunnen werpen en ze bij hun ware naam zouden kunnen noemen — blokkeert de beschrijvende analyse van de feiten het begrijpen van de feiten en wordt ze een element uit de ideologie die de feiten schraagt. Door de bestaande sociale werkelijkheid tot haar eigen norm te verklaren, versterkt deze sociologie in de individuen ‘het geloof zonder geloof’ in de werkelijkheid waarvan zij het slachtoffer zijn: ‘Van de ideologie blijft niets over behalve de erkenning van dat wat bestaat — het model van een gedrag dat zich onderwerpt aan de overweldigende macht van de gevestigde gang van zaken’.[40] Tegenover dit ideologisch empirisme herneemt de loutere tegenspraak haar rechten: ‘... dat wat is, kan niet waar zijn’.[41]
[1] John K. Galbraith, American Capitalism (Boston 1956) 96.
[2] Zie onder: De nieuwe vormen van controle.
[i] In het Nederlands komen dergelijke termen voor intellectuelen weinig voor (‘boekenwurm’, ‘denkmachine’), wel woorden tegen het wettelijk gezag (‘diender’, ‘koperen knoop’, ‘juut’, enz.) en benamingen voor de uitgestotenen van onze samenleving (‘nikker’, ‘mietje’, ‘ruigpoot’ (noot van de vertaler).
[3] Zie onder: nieuwe vormen van controle.
[4] Stanley Gerr, Language and Science, in: Philosophy of Science, april 1942, pag. 156.
[5] Ibidem.
[6] Zie onder: Nieuwe vormen van controle.
[7] New York Times, 1 december 1960.
[8] Ibidem, 2 november 1960.
[9] Ibidem, 7 november 1960.
[10] Roland Barthes, Le Degré zéro de l’écriture (Paris 1953) 33.
[11] Zie Leo Lowenthal, Literature, Popular Culture, and Society (Englewood Cliffs 1961) 109vv. en Richard Hoggart, The Uses of Literacy (Boston 1961) 161 vv.
[12] De zin heeft niet op de huidige gouverneur, maar op de heer Talmadge betrekking.
[13] De drie laatste voorbeelden komen uit The Nation, 22 februari 1958.
[14] Een suggestie van het tijdschrift Life, aangehaald in The Nation, 20 augustus 1960. Volgens David Sarnoff is er aan het Congres een wetsontwerp ter instelling van een dergelijke Academie voorgelegd. Zie John K. Jessup, Adlai Stevenson e.a., The National Purpose (uitgegeven onder toezicht en met behulp van de redactionele staf van het tijdschrift Life, New York 1960) 58.
[15] W. von Humboldt, Ueber die Verschiedenheit des menschlichen Sprachbaues (1836, herdruk Bonn 1960) 254.
[16] Zie voor deze filosofie van de grammatica in de dialectische logica Hegels begrip ‘substantie als onderwerp’ en de ‘speculatieve zin’ in het voorwoord tot de Phaenomenologie des Geistes.
[17] Hieronder in hoofdstuk 5.
[18] Dit betekent niet, dat de persoonlijke of algemene geschiedenis uit de wereld van de taal verdwijnt. Het verleden wordt vaak genoeg opgeroepen: of het nu de ‘Founding Fathers’ of Marx-Engels-Lenin of de nederige afkomst van een kandidaat voor het presidentschap betreft. Ook dit zijn echter geritualiseerde invocaties die geen ontplooiing van de in herinnering gebrachte inhoud toestaan; vaak helpt alleen de invocatie al een dergelijke ontplooiing die de historische onaangepastheid ervan zou laten zien, te blokkeren.
[19] Das ‘Schreckbild einer Menschheit ohne Erinnerung ... ist kein blosses Verfallsproduct... sondern es ist mit der Fortschrittlichkeit des bürgerlichen Prinzips notwendig verknüpft.’ ‘Oekonomen und Soziologen wie Werner Sombert und Max Weber haben das Prinzip des Traditionalismus den feudalen Gesellschaftsformen zugeordnet und das der Rationalität den bürgerlichen. Das sagt aber nicht weniger, als dass Erinnerung, Zen, Gedächtnis von der fortschreitenden bürgerlichen Gesellschaft selber als eine Art Irrationaler Rest liquidiert wird ...’ Th. W. Adorno, Was bedeutet Aufarbeitung der Vergangenheit? in: Bericht über die Erzieherkonferenz am 6. und 7. November in Wiesbaden (Frankfurt 1960), 14. De strijd tegen de geschiedenis zal in hoofdstuk 7 verder worden besproken.
[20] Zie de inleiding en hoofdstuk 5.
[21] Zie hoofdstuk 8 voor een verdere bespreking van deze criteria.
[22] Zie mijn boek Soviet Marxism, 87 vv.
[23] ‘il n’y a plus aucun sursis entre la dénomination et le jugement, et la clôture du langage est parfaite ...’
[24] Roland Barthes a.w. 37-40.
[25] Zie voor West-Duitsland de diepgaande studies die door het ‘Institut for Sozialforschung’, Frankfurt am Main, in 1950-1951 zijn ondernomen: Gruppen Experiment, uitg. door F. Pollock (Frankfurt, Europäische Verlagsanstalt, 1955), speciaal 545 vv. Zie ook: Karl Korn, Sprache in die verwalteten Welt (Frankfurt 1958) voor beide delen van Duitsland.
[26] In de theorie van het functionalisme komt het therapeutisch en ideologisch karakter der analyse niet aan het licht; dit wordt verduisterd door de abstracte algemeenheid van de begrippen (‘systeem’, ‘deel’, ‘eenheid’, ‘item’, ‘meerdere consequenties’, ‘functie’). In principe kan de socioloog ze toepassen op ieder ‘systeem’ dat hij als object voor zijn analyse kiest — van de kleinste groep tot de samenleving als zodanig. De functionele analyse is ingesloten in het gekozen systeem dat zelf niet onderworpen wordt aan een kritische analyse die de grenzen van het systeem overstijgt naar het historisch continuüm, waarin de functies en dysfuncties worden wat ze zijn. In deze zin vertoont de functionele theorie de dwaling van een verkeerde abstractie. De algemeenheid van haar begrippen wordt verkregen door juist van die kwaliteiten te abstraheren, die het systeem een historische grootheid maken en die een kritisch-transcendente betekenis geven aan zijn functies en dysfuncties.
[27] De citaten zijn uit Roethlisberger and Dickson, Management and the Worker (Cambridge 1947). Zie de uitstekende discussie in Loren Baritz, The Servants of Power. A History of the Use of Social Science in American Industry (Middletown 1960), hoofdstuk 5 en 6.
[28] Roethlisberger and Dickson a.w. 255 vv.
[29] Ibidem 256.
[30] Ibidem 267.
[31] Ibidem viii.
[32] Ibidem 591.
[33] H. Eulau, S.J. Eldersveld, M. Janowitz (ed.), Political Behavior (Chicago 1956) 275.
[34] Ibidem 276.
[35] Ibidem 284.
[36] Ibidem 285.
[37] Ibidem 280.
[38] Ibidem 138 vv.
[39] Ibidem 133.
[40] Theodor W. Adorno, Ideologie, in: Kurt Lenk (ed.), Ideologie (Neuwied 1961) 262 vv.
[41] Ernst Bloch, Philosophische Grundfragen I (Frankfurt 1961) 65.