Herbert Marcuse
De eendimensionale mens
Hoofdstuk 1


Deel 1
De eendimensionale samenleving

I. De nieuwe vormen van controle

Een comfortabele, gladde, redelijke en democratische onvrijheid heeft de overhand in de hoogindustriële beschaving, een blijk van technische vooruitgang. Wat kan er immers rationeler zijn dan de onderdrukking der individualiteit bij het mechaniseren van onaangename, maar sociaal noodzakelijke verrichtingen: het concentreren van individuele ondernemingen in meer effectieve en productieve corporaties, het reguleren van de vrije concurrentie tussen eenheden die economisch niet tegen elkaar zijn opgewassen en het inperken van prerogatieven en nationale soevereine rechten welke de internationale organisatie der hulpbronnen belemmeren. Dat deze technologische orde ook een politieke en intellectuele coördinatie met zich meebrengt kan een ontwikkeling zijn die valt te betreuren, maar die toch ook veelbelovend is.

De rechten en vrijheden die een vitale rol speelden bij het ontstaan en in de eerste stadia der industriële samenleving, wijken voor een hoger stadium van deze samenleving: zij verliezen hun traditionele grondslag en inhoud. In wezen waren vrijheid van denken, van meningsuiting en van geweten kritische ideeën, die tot taak hadden een verouderende materiële en intellectuele cultuur te vervangen door een meer productieve en redelijke cultuur. Dit geldt eveneens voor het vrije particulier initiatief, dat door deze drie beginselen werd gesteund en beschermd. Toen deze rechten en vrijheden eenmaal geïnstitutionaliseerd waren, gingen zij dezelfde weg op als de samenleving waarvan zij een integrerend deel waren geworden. Door het resultaat vervallen de premissen.

Naarmate de bevrijding van armoede (de concrete ondergrond van alle vrijheid) een reële mogelijkheid wordt, zullen de vrijheden, die behoren tot een fase van lagere productiviteit, hun vroegere inhoud verliezen. Onafhankelijk denken, autonomie en het recht tot politieke oppositie worden van hun fundamentele kritische functie beroofd in een samenleving welke steeds beter in staat schijnt de behoeften der individuen te bevredigen dankzij de wijze waarop zij georganiseerd is. Een dergelijke samenleving mag met recht eisen, dat haar principes en instituties aanvaard worden en zij mag de oppositie dwingen slechts alternatieve gedragslijnen binnen de status-quo aan de orde te stellen en te verdedigen. In dit opzicht schijnt het weinig verschil te maken of de steeds betere bevrediging der behoeften verzorgd wordt door een autoritair of door een niet-autoritair systeem. Onder de omstandigheden die zich voordoen bij een stijging der levensstandaard blijkt sociaal gezien het zich niet conformeren aan het systeem op zich nutteloos; en dit des te meer, wanneer het tastbare economische en politieke nadelen met zich meebrengt en het de goede gang van zaken in het geheel bedreigt. Er schijnt inderdaad, tenminste voor zover het gaat om levensbehoeften, geen enkele reden te zijn waarom de productie en distributie van goederen en diensten zouden moeten plaatsvinden in een systeem, waarin de individuele vrijheden elkaar overlappen en beconcurreren.

De vrijheid van het particulier initiatief was van meet af aan geen medaille zonder keerzij. Daar dit beginsel de vrijheid om te werken of te verhongeren inhield, betekende het voor het overgrote deel der bevolking zware arbeid, onzekerheid en angst. Als het ooit zóver zou komen, dat het individu niet meer gedwongen zou worden te laten zien wat hij als vrij economisch subject waard is op de markt, dan zou het verlies van dit soort vrijheid een der grootste prestaties der beschaving zijn. Technologische processen als mechanisatie en standaardisatie zouden individuele energie kunnen vrijmaken voor een nog onontgonnen rijk van de vrijheid, waarin nooddruft niet meer bestaat.

De structuur zelf van het menselijk bestaan zou gewijzigd worden; het individu zou bevrijd worden van de druk van de wereld van de arbeid die hem behoeften en mogelijkheden opdringt welke hem vreemd zijn. Het individu zou de vrijheid hebben om autonome macht uit te oefenen over een leven dat hemzelf zou toebehoren. Als het productieapparaat georganiseerd en geleid zou kunnen worden met het doel de levensbehoeften te bevredigen, zou de controle erover heel goed gecentraliseerd kunnen worden; zo’n controle zou een individuele autonomie niet belemmeren, maar juist mogelijk maken.

Dit is een doel dat binnen het bereik van de hoogindustriële beschaving ligt, de ‘afsluiting’ der technologische rationaliteit. In feite is echter de tegenovergestelde trend aan het werk: het apparaat dringt zijn economische en politieke eisen voor defensie en expansie op zowel aan werktijd als aan vrije tijd, zowel aan de materiële als aan de intellectuele cultuur. De hedendaagse industriële samenleving heeft de neiging totalitair te zijn door de wijze waarop zij haar technologische basis heeft opgezet. Want ‘totalitair’ is niet slechts een terroristische politieke ordening der samenleving, maar eveneens een niet-terroristische economisch-technische ordening die de behoeften manipuleert door de gevestigde belangen. Zo wordt voorkomen, dat er een doeltreffende oppositie tegen het geheel ontstaat. Niet alleen een bepaalde regeringsvorm of partijbewind leidt tot een totalitair stelsel, maar ook een bepaald systeem van productie en distributie, dat heel goed kan samengaan met een ‘pluralisme’ wat betreft partijen, kranten, ‘het evenwicht der krachten’ enz.[1]

Tegenwoordig doet politieke macht zich gelden door haar macht over het gemechaniseerde productieproces en over de technische organisatie van het apparaat. De regeringen van ontwikkelde en hoogindustriële samenlevingen kunnen alleen dán zich handhaven en veilig stellen, wanneer zij erin slagen de technische, wetenschappelijke en gemechaniseerde productiviteit die ter beschikking staat van de industriële beschaving op gang te brengen, te organiseren en te exploiteren. En deze productiviteit brengt de samenleving in haar geheel in beweging, zonder rekening te houden met de speciale belangen van individuen of groepen. Het simpele feit dat de fysieke kracht (en alleen maar de fysieke kracht?) van de machine groter is dan die van het individu en van welke speciale groep individuen ook, maakt de machine tot het meest effectieve politieke instrument in iedere samenleving waar de organisatie van het machinale proces de fundamentele is. Maar de politieke trend kan omgekeerd worden; in wezen is de kracht van de machine slechts de opgezamelde en geprojecteerde kracht van de mens. Naarmate de wereld van de arbeid wordt gezien als een machine en dienovereenkomstig wordt gemechaniseerd, wordt zij de potentiële basis van een nieuwe vrijheid voor de mens.

De hedendaagse industriële beschaving laat zien, dat zij het stadium heeft bereikt waar de ‘vrije samenleving’ niet meer adequaat kan worden omschreven met de traditionele termen van economische, politieke en intellectuele vrijheden; niet omdat deze vrijheden onbetekenend zijn geworden, maar omdat ze te veel betekenis hebben om tot de traditionele vormen beperkt te worden. Ze moeten gerealiseerd worden via nieuwe wegen, die beantwoorden aan de nieuwe mogelijkheden van de samenleving.

Deze nieuwe wegen kunnen slechts in negatieve termen worden aangeduid, omdat zij neerkomen op de ontkenning van de gebaande wegen. Zo zou economische vrijheid betekenen: het niet afhankelijk zijn van de economie — van de controle van economische krachten en relaties, het niet onderworpen zijn aan de dagelijkse strijd om het bestaan, aan de kostwinning. Politieke vrijheid zou betekenen de bevrijding der individuen van een politiek waarover zij geen effectieve controle hebben. Op dezelfde wijze zou intellectuele vrijheid betekenen dat het individuele denken, nu verdrongen door massacommunicatie en indoctrinatie, weer een plaats krijgt en dat de ‘openbare mening’ evenals hun die haar vormen hun invloed ontnomen wordt. Het feit dat dit alles niet realistisch klinkt is een aanwijzing niet voor het utopisch karakter ervan, maar voor de geweldige krachten die de verwerkelijking ervan tegenhouden. Het inprenten van materiële en intellectuele behoeften die verouderde vormen van de strijd om het bestaan bestendigen is de meest doelmatige en duurzame vorm van oorlogvoering tegen een bevrijding.

De intensiteit, de bevrediging en zelfs de aard van menselijke behoeften — boven het biologische niveau — zijn altijd geconditioneerd. Of de mogelijkheid om iets te doen of te laten, te gebruiken of te vernietigen, te bezitten of af te wijzen al dan niet wordt aangegrepen als een behoefte, hangt af van het feit of dit al dan niet als gewenst en noodzakelijk voor de heersende maatschappelijke instituties en belangen kan worden gezien. In deze zin zijn menselijke behoeften historische behoeften; en naarmate de samenleving een persoonlijkheidsontwikkeling vereist die het individu ertoe brengt zich te onderwerpen aan onderdrukking, in die mate worden diens behoeften én op zichzelf én in hun aanspraak op bevrediging onderworpen aan vernietigende kritische normen.

Wij kunnen echte en onechte behoeften onderscheiden. ‘Onecht’ zijn die welke aan het individu worden opgedrongen door bepaalde sociale belangengroeperingen die gebaat zijn bij zijn onderdrukking: de behoeften die zware arbeid, agressiviteit, ellende en onrechtvaardigheid laten voortbestaan. De bevrediging ervan mag dan hoogst aangenaam zijn voor het individu, maar deze gelukzaligheid is geen toestand die gehandhaafd en beschermd moet worden, wanneer ze dienst doet als rem op de ontwikkeling van de geschiktheid (bij hemzelf en bij anderen) om de ziekte van het geheel te onderkennen en de kansen aan te grijpen om deze ziekte te genezen. Dan is het gevolg: een gevoel van welbehagen te midden van de ellende. De behoeften aan ontspanning, aan plezier, aan gedragingen en verbruiksgewoonten zoals de advertenties ze voorschrijven, aan een afschuw van en een begeerte naar datgene wat anderen verafschuwen en begeren, kortom, de meeste nu overheersende behoeften behoren tot bovengenoemde categorie van onechte behoeften. Dit soort behoeften bezit een maatschappelijke inhoud en functie, welke bepaald worden door externe krachten waarover het individu geen zeggenschap heeft; de ontwikkeling en de bevrediging van deze behoeften zijn heteronoom. Hoezeer het individu deze behoeften ook tot de zijne heeft gemaakt en hoezeer de omstandigheden die zijn bestaan bepalen ze ook hebben versterkt en vermenigvuldigd, hoezeer hij zich er ook mee identificeert en zichzelf herkent in de bevrediging ervan, tóch blijven ze wat ze oorspronkelijk waren: voortbrengselen van een samenleving waarvan het voornaamste belang onderdrukking vereist.

Het overheersen van behoeften die onderdrukking in de hand werken is een voldongen feit. Dit feit is na een onbewuste nederlaag aanvaard, maar moet ongedaan gemaakt worden zowel in het belang van het ‘gelukzalige’ individu als in het belang van al degenen wier ellende de prijs is voor zijn bevrediging. De enige behoeften die onbeperkt aanspraak kunnen maken op bevrediging zijn de levensbehoeften — voeding, kleding en onderdak op het haalbare beschavingspeil. De bevrediging van deze behoeften is de noodzakelijke voorwaarde voor de bevrediging van alle behoeften, zowel de niet-gesublimeerde als de gesublimeerde.

Voor ieder bewust levend mens, voor ieder mens met een geweten, voor ieder mens met levenservaring, die het heersende maatschappelijk belang weigert te accepteren als de hoogste wet voor zijn denken en zijn gedrag, is de gevestigde orde van behoeften en hun bevrediging een feit, waarover hij zich vragen behoort te stellen — vragen naar wat echt en onecht is. Deze termen zijn geheel en al historisch en hun objectiviteit is historisch. Het oordeel over de behoeften en hun bevrediging impliceert onder de gegeven omstandigheden prioriteitsnormen — normen welke betrekking hebben op de optimale ontwikkeling van het individu, van alle individuen, bij optimale exploitatie van alle materiële en intellectuele hulpbronnen die de mens ter beschikking staan. Men kan die hulpbronnen in cijfers uitdrukken. De ‘echtheid’ en ‘onechtheid’ der behoeften duiden objectieve eigenschappen aan, voor zover de algemene bevrediging der levensbehoeften en vervolgens de steeds ingrijpender verlichting van zware arbeid en armoede algemeen geldige normen zijn. Maar aangezien dit ook historische normen zijn, variëren zij niet alleen naar gebied en ontwikkelingsfase, maar kunnen ze ook slechts gedefinieerd worden in tegenstelling (in mindere of meerdere mate) tot de gangbare normen. Welke jury kan mogelijkerwijs de bevoegdheid tot deze beslissing voor zich opeisen?

In laatste instantie moet de vraag wat echte en wat onechte behoeften zijn beantwoord worden door de individuen zelf, maar dit pas in laatste instantie — d.w.z. indien en wanneer zij vrij zijn om een eigen antwoord te geven. Zolang men hen in een toestand houdt waarin zij niet in staat zijn tot autonomie, zolang zij geïndoctrineerd en gemanipuleerd worden (tot en met zelfs in hun instincten), zólang kan hun antwoord op deze vraag niet als hun eigen antwoord beschouwd worden. Er is echter evenmin een jury die terecht het recht voor zich kan opeisen om te beslissen welke behoeften ontwikkeld en bevredigd behoren te worden. Elke jury van deze aard schiet te kort. Maar door dit te constateren lossen we het probleem niet op: hoe kunnen mensen, die het voorwerp zijn geweest van doeltreffende en productieve overheersing, zelf de voorwaarden voor hun vrijheid scheppen?[2]

Hoe rationeler, productiever, technischer en meeromvattend het repressieve bestuur van een samenleving wordt, hoe minder men zich kan voorstellen op welke wijze de bestuurde individuen de boeien van hun slavernij zouden kunnen slaken en hun eigen bevrijding zouden kunnen bewerkstelligen. Toegegeven, het idee Rede op te dringen aan een gehele samenleving is aanstootgevend en paradoxaal — hoewel men zou kunnen twisten over de rechtvaardigheid van een samenleving die dit idee belachelijk maakt, terwijl zij haar eigen bevolking onderwerpt aan een totalitair bestuur. Iedere bevrijding steunt op het zich bewust zijn van slavernij, en aan deze bewustwording worden altijd weer moeilijkheden in de weg gelegd, doordat bepaalde behoeften en hun bevrediging (die het individu in grote mate tot de zijne heeft gemaakt) overheersend zijn. Het proces vervangt altijd het éne systeem van conditionering door het andere; het uiteindelijk doel is het vervangen van onechte behoeften door echte, het afzien van bevrediging die onderdrukking in de hand werkt.

De kenmerkende eigenschap van de hoogindustriële samenleving is dat zij doeltreffend die behoeften verstikt welke bevrijding opeisen — bevrijding ook van datgene wat draaglijk, lonend en plezierig is — en tegelijkertijd de destructieve kracht en de repressieve functie van de welvaartsmaatschappij vrijspreekt en ondersteunt. In deze samenleving vereist het netwerk van sociale controle een overweldigende behoefte aan productie en consumptie van overbodige rommel; een behoefte aan afstompende arbeid terwijl daar geen noodzaak meer voor bestaat; een behoefte aan een soort ontspanning die op een aangename wijze dit afstompingsproces voortzet; een behoefte om bedrieglijke vrijheden in stand te houden, zoals de vrije concurrentie bij vastgestelde prijzen, een vrije pers die zichzelf censuur oplegt en de vrije keus tussen merkartikelen en prullen. Als een bewind in zijn geheel onderdrukking nastreeft, kan de vrijheid tot een machtig instrument ter overheersing gemaakt worden. Niet het aantal mogelijkheden waaruit het individu kan kiezen bepaalt uiteindelijk de mate van vrijheid der mensen, maar wat er gekozen kan worden en wat er gekozen wordt door het individu. Het criterium voor de vrije keuze kan nooit absoluut zijn, maar evenmin is het volledig relatief. Vrije verkiezing van de meester schaft noch de meesters noch de slaven af. Vrije keuze tussen een grote verscheidenheid van goederen en diensten betekent geen vrijheid, indien deze goederen en diensten een netwerk van sociale controle over een leven van zware arbeid en angst uitspannen — d.w.z. als zij vervreemding in stand houden. En de spontane reproductie van opgelegde behoeften door het individu is geen bewijs voor autonomie; het legt slechts getuigenis af van de doeltreffendheid van het netwerk van controle.

De nadruk die we leggen op het ingrijpende en doeltreffende van dit netwerk van controle kan de tegenwerping oproepen, dat we het indoctrinerend vermogen van de ‘media’ grotelijks overschatten en dat het publiek ook uit zichzelf de behoeften welke nu opgedrongen worden zou voelen en bevredigen. Deze tegenwerping is een slag in de lucht. De conditionering vindt niet zijn oorsprong in de massaproductie van radio en televisie en in de centralisatie van de controle erover. Wanneer voor het publiek déze fase aanbreekt, is het reeds lang geconditioneerd tot ontvangst; het doorslaggevende verschil ligt in het vervagen van het contrast (of conflict) tussen het aangebodene en het mogelijke, tussen de bevredigde en de onbevredigde behoeften. Op dit punt wordt de ideologische functie van de zg. gelijkschakeling der klassen duidelijk. Als arbeider en baas van hetzelfde televisieprogramma genieten en dezelfde vakantiecentra bezoeken, als een typiste zich even aantrekkelijk kan opmaken als de dochter van haar werkgever, als een neger een Cadillac bezit, als ze allemaal dezelfde krant lezen, dan duidt deze nivellering niet op het verdwijnen der klassen, maar op de mate waarin de onderworpenen deelhebben aan de behoeften en bevredigingen die goede diensten bewijzen aan de handhaving der gevestigde orde.

In de meest ontwikkelde gebieden der hedendaagse samenleving is de transplantatie van sociale behoeften op individuele behoeften inderdaad zó effectief dat het verschil ertussen geheel theoretisch schijnt te zijn. Kan men werkelijk verschil maken tussen massamedia als instrumenten ter informatie en vermaak en als de wegen waarlangs het publiek geïndoctrineerd en gemanipuleerd wordt? Tussen de auto als plaag en als comfort? Tussen de gruwelen en het gerief van functionele architectuur? Tussen arbeid voor de nationale defensie en arbeid voor winst voor het concern? Tussen het particuliere genoegen en het commerciële en politieke nut m.b.t. het opvoeren van het geboortecijfer?

Wederom worden we geconfronteerd met één van de hinderlijkste aspecten van de hoogindustriële beschaving: het rationele karakter van haar irrationaliteit. Haar productiviteit en haar doeltreffendheid; haar vermogen het comfort te vergroten en te verspreiden, overbodige rommel tot voorwerp van behoefte en vernietiging tot opbouw te maken; de mate waarin deze beschaving de wereld der objecten omvormt tot een verlenging van de menselijke geest en het menselijk lichaam; dit alles stelt het begrip vervreemding zelf in discussie. De mensen herkennen zichzelf in hun gemakken; zij drukken zich uit in hun auto, hifi-installatie, bungalow en keukenuitzet. Zelfs het mechanisme dat het individu aan zijn samenleving bindt is veranderd en de sociale controle ligt verankerd in de nieuwe behoeften die zij heeft geschapen.

De nu gangbare vormen van sociale controle zijn in een nieuwe zin technologisch. De technische structuur en doeltreffendheid van het productie- en destructieapparaat heeft beslist een hoofdrol gespeeld bij de onderwerping van de bevolking aan de gevestigde sociale arbeidsverdeling gedurende de gehele moderne tijd. Bovendien is deze integratie altijd vergezeld gegaan van methoden die nog duidelijker van dwang spreken: het verlies van inkomsten, de rechtsbedeling, de politie, de gewapende macht. Dit gebeurt nog steeds. In de huidige periode echter schijnt het netwerk van technologische controle de redelijkheid zelf te zijn ten bate van alle sociale groeperingen en belanghebbenden — en wel in zo’n hoge mate, dat iedere tegenspraak irrationeel en iedere tegenwerking onmogelijk schijnt.

Het is dus niet verwonderlijk, dat in de meest ontwikkelde gebieden van deze beschaving het netwerk van sociale controle in zó hoge mate is geïntrojecteerd, dat zelfs het individueel protest aan de wortels is aangetast. De intellectuele en emotionele weigering om ‘mee te doen’ heeft de schijn uit neurose en machteloosheid voort te komen. Dit is het socio-psychologisch aspect van het politieke gebeuren dat de huidige periode kenmerkt: het wegvloeien van de historische krachten die in het voorgaande stadium der industriële samenleving de mogelijkheid tot nieuwe bestaansvormen in zich schenen te dragen.

Maar misschien vormt de term ‘introjectie’ niet meer de goede omschrijving van de manier waarop het individu zelf het netwerk van externe controle, door zijn samenleving over hem uitgespannen, reproduceert en bestendigt. Introjectie suggereert een aantal min of meer spontane processen, waarbij een ‘zelf’ (Ego) het ‘buiten’ omzet in het ‘binnen’. Zo impliceert introjectie het bestaan van een innerlijke dimensie die onderscheiden is van en zelfs vijandig staat tegenover de eisen van buitenaf — een individueel bewustzijn en een individueel onbewuste, onderscheiden van de publieke opinie en het algemeen aanvaarde gedrag[3]. Het idee van een ‘innerlijke vrijheid’ komt hier tot werkelijkheid: het duidt de privé-ruimte aan waarin een mens ‘zichzelf’ kan worden en blijven.

Tegenwoordig is de technologische werkelijkheid in deze privé-ruimte binnengedrongen en heeft haar steeds kleiner gemaakt. Massaproductie en massadistributie leggen beslag op het gehele individu en reeds lang heeft de bedrijfspsychologie de grenzen der fabrieksterreinen overschreden. De veelvoudige processen der introjectie schijnen tot bijna mechanische reacties verstard te zijn. Het resultaat is geenszins aanpassing, maar mimesis: een directe identificatie van het individu met zijn samenleving en daarmee met de samenleving in haar geheel.

Deze directe, automatische identificatie (die misschien kenmerkend is geweest voor primitieve vormen van samenleving) duikt opnieuw op in een hoogindustriële beschaving; haar nieuwe ‘directheid’ dankt zij echter aan een gedetailleerde, wetenschappelijk verantwoorde leiding en organisatie. Bij dit proces is de ‘innerlijke’ dimensie van de geest, waarin verzet tegen de status-quo wortel kan schieten, tot een minimum ingeperkt. Het verloren gaan van deze dimensie, waarin het vermogen tot negatief denken (het kritisch vermogen van de Rede) haar zetel heeft, is een ideologische parallel van het zeer materiële proces waarmee de hoogindustriële samenleving de oppositie doet verstommen en met zich verzoent. De Rede onderwerpt zich, lamgeslagen door de vooruitgang, aan de naakte feiten en aan het dynamische vermogen om nog meer en nog indrukwekkender feiten van dezelfde soort te produceren. De doeltreffendheid van het systeem stompt bij het individu het inzicht af, dat alle feiten die het bevat deelhebben aan de repressieve kracht van het geheel. Als de individuen zichzelf herkennen in de objecten die hun leven vorm geven, komt dat niet doordat zijzelf de wetten der objecten uitvaardigen, maar doordat zij deze wetten aanvaarden — niet de wetten van de natuur, maar de wetten van hun eigen samenleving.

Ik heb zo-even gesuggereerd, dat het begrip vervreemding aanvechtbaar schijnt te worden, wanneer de individuen zich identificeren met het bestaan dat hun wordt opgedrongen en hierin hun eigen ontplooiing en bevrediging vinden. Deze identificatie is geen illusie, maar werkelijkheid. Deze werkelijkheid echter vormt een hoger stadium van vervreemding. Laatstgenoemde is geheel en al objectief geworden; het subject dat vervreemd is wordt opgeslokt door zijn vervreemd bestaan. Er is slechts één dimensie en deze is overal en in alle vormen aanwezig. De wapenfeiten der vooruitgang tarten zowel de beschuldigingen als de rechtvaardigingen der ideologie; voor de rechtbank van deze feiten wordt het ‘onechte bewustzijn’ van hun rationaliteit het echte bewustzijn.

Dat de ideologie opgeslorpt wordt door de werkelijkheid betekent echter niet ‘het einde der ideologie’. Integendeel, op een bepaalde manier is de hoogindustriële samenleving meer ideologisch dan haar voorganger, voor zover nl. tegenwoordig de ideologie in het productieproces zelf aanwezig is[4]. Op uitdagende wijze stelt deze uitspraak de politieke aspecten van de nu heersende technologische rationaliteit aan de kaak. Het productieapparaat en de goederen en diensten die het produceert ‘verkopen’ het sociale systeem in zijn geheel ofwel dringen het als zodanig op. De gemakken van massavervoer en massacommunicatie, de gerieflijkheid van onderdak, voeding en kleding, de onweerstaanbare producten van de vermaak- en informatie-industrie brengen voorgeschreven houdingen en gewoonten met zich mee, bepaalde intellectuele en emotionele reacties die de consumenten op min of meer prettige wijze aan de producenten en via deze laatsten aan het geheel binden. De producten indoctrineren en manipuleren; zij dragen bij tot een onecht bewustzijn dat immuun is voor zijn onechtheid. Wanneer steeds meer individuen uit steeds meer sociale klassen kunnen beschikken over deze aangename producten, is de indoctrinatie die ze met zich meebrengen geen reclame meer; het wordt een manier van leven. Het is een goede manier van leven — veel beter dan ooit — en daar het een goede manier van leven is, verzet het zich tegen kwalitatieve verandering. Zo komt er een patroon te voorschijn van denken en handelen in één dimensie, waarbij ideeën, verlangens en doeleinden die gezien hun inhoud de gevestigde orde van spreken en handelen overstijgen ofwel worden afgewezen ofwel herleid worden tot termen uit deze orde. Zij worden opnieuw gedefinieerd door de rationaliteit van het gegeven systeem en van zijn kwantitatieve uitbreiding.

Deze trend zou men in verband kunnen brengen met een ontwikkeling in de wetenschappelijke methode: operationalisme in de natuurwetenschappen, behaviorisme in de sociale wetenschappen. De gemeenschappelijke trek is een volledig empirisme in de manier waarop men met begrippen omgaat; de inhoud van deze aldus ingeperkte begrippen wordt nu gedekt door afzonderlijke handelingen en gedragingen. Het operationele standpunt wordt uitstekend geïllustreerd door P. W. Bridgmans analyse van het begrip lengte:[5]

‘Het is duidelijk dat we weten wat we bedoelen met het begrip lengte, als we kunnen zeggen hoelang ieder willekeurig voorwerp is en aan de natuurkundige worden verder geen eisen gesteld. Om de lengte van een voorwerp te bepalen moeten we een aantal fysieke operaties verrichten. Het begrip lengte staat dus vast, als de operaties waarmee lengte gemeten wordt vaststaan: het begrip lengte omvat niets meer en niets minder dan de reeks operaties waarmee lengte wordt bepaald. In het algemeen gesproken bedoelen we met ieder willekeurig begrip niets meer dan een reeks operaties; het begrip is synoniem met de overeenkomstige reeks operaties.’

Bridgman heeft de vérstrekkende implicaties van deze denkwijze voor de samenleving zeer wel ingezien[6].

‘De operationele benadering aanvaarden houdt veel meer in dan alleen maar een beperking van de betekenis die we aan “begrip” toekennen: het betekent een ingrijpende verandering van al onze denkgewoonten. We zullen onszelf nl. niet meer toestaan om als instrumenten bij ons denken begrippen te gebruiken waarover we geen voldoende rekenschap kunnen afleggen in termen van operaties.’ Bridgmans voorspelling is uitgekomen. De tendens naar de nieuwe manier van denken is heden ten dage overheersend in de filosofie, psychologie, sociologie en op andere terreinen. Vele begrippen die echt ernstige moeilijkheden kunnen opleveren worden ‘geëlimineerd’ door aan te tonen dat er geen voldoende rekenschap over afgelegd kan worden in termen van operaties of gedragingen. De fundamentele empiristische aanval (later, in hoofdstuk 7 en 8, zal ik haar aanspraak op empirisme onderzoeken) vormt aldus de methodologische rechtvaardiging voor de ontluistering der geest door de intellectuelen — een positivisme dat, in zijn ontkenning van de transcendente elementen der Rede, de academische tegenhanger is van het gedrag dat door de samenleving wordt vereist.

Buiten het academisch bolwerk is de ‘ingrijpende verandering van al onze denkgewoonten’ ernstiger. Ze helpt ideeën en doeleinden in overeenstemming te brengen met die welke door het heersende systeem worden geëist, ze in het systeem een plaats te geven en die welke niet met het systeem zijn te verenigen af te stoten. Het bewind van een dergelijke eendimensionale werkelijkheid betekent niet, dat het materialisme de boventoon voert en dat de spirituele, metafysische en bohémienachtige activiteiten langzaamaan verdwijnen. Integendeel, we zien vrij veel dingen als ‘Deze week gemeenschapsmis’, ‘Eén uur voor God’, Zen, existentialisme, de levenswijze der beatjeugd enz. Maar deze manieren om te protesteren en te transcenderen staan niet meer in tegenstelling tot de status-quo en zijn niet meer negatief. Ze zijn eerder het ceremoniële deel van het praktische behaviorisme, de onschadelijke ontkenning ervan, en worden door de status-quo snel opgenomen als deel van zijn gezonde voeding.

Eendimensionaal denken wordt systematisch bevorderd door de bedrijvers van politiek en hun leveranciers van massa-informatie. Hun terminologie wemelt van hypothesen die zichzelf geldig verklaren en die, doordat men ze onophoudelijk herhaalt en tegelijk alle andere mogelijkheden doodzwijgt, hypnotische definities of decreten worden. Bv.: ‘vrij’ zijn die instituties die in de landen der Vrije Wereld in werking zijn (en bewerkt worden); andere transcenderende wijzen van vrijheid zijn per definitie ofwel anarchisme en communisme ofwel propaganda. ‘Socialistisch’ zijn alle pogingen die een inbreuk betekenen op de particuliere initiatieven en die niet gedaan worden door de particuliere ondernemingen zelf (of via regeringscontracten), zoals een algemene en allesomvattende ziekteverzekering, of het in bescherming nemen der natuur tegen een al te zeer op winst beluste handelsgeest, of het instellen van openbare diensten die particuliere winsten zouden kunnen verminderen. Deze totalitaire logica van voldongen feiten heeft haar tegenhanger in het Oosten. Vrijheid is daar de manier van leven zoals die door een communistisch regime is ingesteld, en alle andere transcenderende wijzen van vrijheid getuigen ofwel van een kapitalistische, ofwel van een revisionistische, ofwel van een linkse, sektarische geest. In beide kampen zijn niet-operationele ideeën niet-behavioristisch en opruiend. De gedachtegang wordt tot stilstand gebracht door slagbomen die de grenzen der Rede zelf schijnen aan te geven.

Een dergelijke begrenzing van het denken is zeker niet nieuw. Het opkomende moderne rationalisme vertoont, zowel in haar beschouwende als in haar empiristische vorm, een in het oog lopend contrast tussen enerzijds het extreem kritisch radicalisme in de wetenschappelijke en filosofische methode en anderzijds een onkritisch quiëtisme ten aanzien van bestaande en functionerende sociale instituties. Zo kwam het dat Descartes’ ego cogitans de ‘grote openbare lichamen’ ontzag; en zo leerde Hobbes dat ‘het heden altijd geprefereerd, gesteund en als het beste beschouwd moet worden’. Kant was het met Locke eens dat revolutie gerechtvaardigd is, wanneer en indien zij erin geslaagd is het geheel te organiseren en rebellie te voorkomen. Deze conveniërende begrippen der Rede werden echter altijd tegengesproken door de duidelijke ellende en onrechtvaardigheid der ‘grote openbare lichamen’ en de krachtdadige, min of meer bewuste rebellie ertegen. Er bestonden maatschappelijke toestanden die werkelijke ontevredenheid over de bestaande gang van zaken opriepen en rechtvaardigden; er was zowel een private als een politieke dimensie aanwezig, waarin deze afwijzing zich kon ontwikkelen tot krachtdadige oppositie en zo haar kracht en de geldigheid van haar doeleinden kon beproeven. Nu de samenleving deze dimensie langzamerhand afsluit, krijgt het feit dat het denken zichzelf grenzen stelt meer betekenis. De wederzijdse betrekkingen tussen wetenschappelijk-filosofische en maatschappelijke processen, tussen theoretische en praktische Rede komen tot stand ‘achter de rug’ van de wetenschapsmensen en filosofen om. De samenleving weert rigoureus een bepaald soort oppositionele handelingen en gedragingen; bijgevolg worden de begrippen die erbij horen illusoir of nietszeggend. Historische transcendentie krijgt de schijn van metafysische transcendentie en is dus onaanvaardbaar voor de wetenschap en het wetenschappelijk denken. De operationele en behavioristische zienswijze, die overal als ‘denkgewoonte’ in praktijk wordt gebracht, wordt de zienswijze die ten grondslag ligt aan de geaccepteerde manier van spreken en handelen, aan de algemeen erkende behoeften en verlangens. De ‘list der Rede’ werkt, zoals zij al zo vaak deed, in het belang van de heersende machten. De nadruk op operationele en behavioristische begrippen is een rem op de pogingen om in vrijheid te denken en zijn gedrag te bepalen, waarbij men tracht zich los te maken van de gegeven werkelijkheid en poogt te werken ten bate van de onderdrukte alternatieven. De theoretische en praktische rede, het academisch en sociaal behaviorisme ontmoeten elkaar op het terrein van een ontwikkelde samenleving die wetenschappelijke en technische vooruitgang omsmeedt tot een wapen voor overheersing.

‘Vooruitgang’ is geen neutrale term; men gaat vooruit naar bepaalde doeleinden en deze doeleinden worden bepaald door de mogelijkheden om de menselijke leefwereld te verbeteren. De hoogindustriële samenleving begint het stadium te naderen, waarin een verdere vooruitgang een radicale ommekeer zou vereisen m.b.t. de ingeslagen richting en organisatie der vooruitgang. Dit stadium zou bereikt worden, wanneer de materiële productie (inclusief de noodzakelijke diensten) dermate geautomatiseerd wordt dat alle levensbehoeften bevredigd kunnen worden, terwijl de noodzakelijke arbeidstijd teruggebracht wordt tot een minimum. Van dat ogenblik af transcendeert de technische vooruitgang het rijk van de noodzaak, waar hij dienst deed als een instrument tot overheersing en uitbuiting, hetgeen een inperking van zijn rationaliteit betekende; de technologie zou onderworpen worden aan het vrije spel der mogelijkheden in de strijd om de pacificatie van de natuur en samenleving.

Een dergelijke toestand wordt ons voor ogen getoverd door Marx’ idee van de ‘afschaffing der arbeid’. De term ‘pacificatie van het bestaan’ schijnt méér geschikt om het historisch alternatief aan te duiden voor een wereld die voortleeft op de rand van een algehele wereldoorlog door een internationaal conflict, waardoor de tegenstellingen binnen de gevestigde samenlevingen van gestalte veranderen en opgeschort worden. ‘Pacificatie van het bestaan’ betekent een verdere ontwikkeling van de strijd van de mens tegen mens en natuur, terwijl de concurrerende behoeften, verlangens en aspiraties niet meer georganiseerd worden door instituties en groeperingen die belang hebben bij overheersing en schaarste — een organisatie die de destructieve vormen van deze strijd laat voortbestaan. Het huidige verzet tegen dit historische alternatief vindt een stevige, massale basis in de onderworpenen. Het vindt zijn ideologie in het feit, dat het denken en handelen streng georiënteerd zijn op de gegeven feiten. De status-quo — bekrachtigd door de prestaties van de wetenschap en technologie, gerechtvaardigd door zijn groeiende productiviteit — tart iedere transcendentie. Wanneer de volledig ontwikkelde industriële samenleving zich geconfronteerd ziet met de mogelijkheid tot pacificatie op grond van haar technische en intellectuele prestaties, sluit zij zichzelf af voor dit alternatief. Theoretisch en praktisch wordt het operationalisme de theorie en praktijk der inkapseling. Onder de opvallende dynamiek van deze samenleving schuilt een volstrekt statisch levenssysteem: zij drijft zichzelf voort in haar oppressieve productiviteit en in haar profijtelijke coördinatie. Het inkapselen der technische vooruitgang gaat gelijk op met de groei ervan in de eenmaal ingeslagen richting. Naarmate de technologie — de politieke boeien haar door de status-quo opgedrongen ten spijt — beter in staat schijnt te zijn de voorwaarden voor pacificatie te scheppen, is de mens geestelijk en lichamelijk beter tegen dit alternatief uitgerust.

De meest ontwikkelde streken in de industriële samenleving vertonen op alle terreinen deze twee verschijnselen: een trend om het rationele karakter van de techniek te vervolmaken én intensieve pogingen om deze trend binnen de gevestigde instituties in te kapselen. Hier komt de interne tegenspraak in deze beschaving aan het licht: het irrationeel element in haar rationeel karakter. Dit tekent haar prestaties. De organisatie van de industriële samenleving, die zich wetenschap en technologie toeeigent, is gericht op een steeds effectievere overheersing van mens en natuur, op een steeds effectievere exploitatie van haar hulpbronnen. Zij wordt irrationeel zodra het succes van haar pogingen nieuwe dimensies voor de verwerkelijking van de mens openlegt. Een organisatie gericht op vrede verschilt van een organisatie gericht op oorlog; de instituties die dienstbaar waren aan de strijd om het bestaan kunnen niet dienstbaar zijn aan de pacificatie van het bestaan. Het leven als doel verschilt kwalitatief van het leven als middel.

Zo’n kwalitatief andere, nieuwe leefwijze kan nooit beschouwd worden als louter bijproduct van economische en politieke veranderingen, als het min of meer spontane gevolg van de nieuwe instituties die de vereiste voorwaarde ervoor vormen. Een kwalitatieve omwenteling houdt eveneens in een omwenteling in de technische basis waarop deze samenleving rust — een basis die de economische en politieke instituties draagt door middel waarvan de ‘tweede natuur’ van de mens als een tegenstribbelend object van bestuur in bedwang wordt gehouden. De technieken der industrialisatie zijn politieke technieken; bij voorbaat beslissen zij over de mogelijkheden van Rede en Vrijheid. Zeker, aan de vermindering van de arbeid moet arbeid voorafgaan, en aan de ontwikkeling der menselijke behoeften en hun bevrediging moet industrialisatie voorafgaan. Maar daar iedere vrijheid afhankelijk is van de eliminatie van een opgelegde noodzaak, is de verwerkelijking van de vrijheid afhankelijk van de technieken die bij deze eliminatie worden toegepast. De grootste productiviteit kan gebruikt worden om arbeid te continueren en de meest doelmatige industrialisatie kan dienstbaar zijn aan de inperking en manipulatie van de behoeften.

Wanneer dit ogenblik is aangebroken, bestrijkt de overheersing — onder het mom van weelde en vrijheid — alle terreinen van het privé-bestaan en het openbare leven, integreert zij alle authentieke oppositie en slorpt zij alle alternatieven op. De technologische rationaliteit onthult haar politiek karakter, wanneer zij het vaandel wordt waaronder de overheersing optrekt, zodat er een waarlijk totalitaire wereld ontstaat waarin samenleving en natuur, geest en lichaam voortdurend gemobiliseerd zijn ter verdediging van deze wereld.


[1] Zie onder: De verzorgingsstaat en de oorlogsstaat.
[2] Zie onder: De vooruitzichten der inkapseling.
[3] De functieverandering van het gezin speelt hier een beslissende rol: haar ‘socialiserende’ functies worden steeds meer overgenomen door de communicatiemedia en de groeperingen buiten het gezin. Zie mijn boek Eros and Civilization (Boston 1955) 96 vv.
[4] Theodor W. Adorno, Prismen. Kulturkritik und Gesellschaft (Frankfurt 1955) 24 vv.
[5] P. W. Bridgman, The Logic of Modern Physics (New York 1928) 5. De leer van het operationalisme is sindsdien verfijnd en nader omschreven. Bridgman zelf heeft het begrip ‘operatie’ zover uitgebreid dat het ook de ‘pen-op-papier’ operatie van de theoreticus omvat (in Philipp J. Frank, The Validation of Scientific Theories [Boston 1954] hfdst. 2). De grondgedachte blijft hetzelfde: het is ‘gewenst’ dat ‘er van tijd tot tijd contact kan bestaan, zij het misschien indirect, tussen [de pen-op-papier handelingen] en de instrumentele operatie.
[6] P. W. Bridgman, The Logic of Modern Physics (New York 1928) 31.